Meest gestelde vragen

Indien u vragen heeft die hier niet zijn beantwoord kunt u ze sturen naar: m.vd.louw@gddeventer.com
Wij zullen vraag en antwoord dan in de volgende update meenemen.
29.01.2010

Wat is Q-fever?
Q-fever of Q-koorts is een ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. De letter Q komt van het woord ‘query’ en van Queensland. Query betekent vraagteken en verwijst naar de vraagtekens die lange tijd rond deze aandoening heersten maar ook nu zijn niet alle vragen over deze ziekte beantwoord. Queensland in Australië is het gebied waar de ziekte voor het eerst bij slachthuispersoneel is vastgesteld in de jaren dertig van de vorige eeuw.

Welke verschijnselen veroorzaak Q-fever bij de mens?
Een besmetting met Coxiella burnetii, de verwekker van Q-fever, veroorzaakt in heel veel gevallen gelukkig geen verschijnselen. Als een besmetting wel problemen veroorzaakt gaat het in de meeste gevallen om milde, griepachtige verschijnselen. Bij een ernstiger verloop begint de ziekte meestal acuut met hoofdpijn en hoge koorts. Wanneer er ziekteverschijnselen optreden gebeurt dat gemiddeld twee tot drie weken na besmetting. Bij 20% van de mensen bij wie een infectie is vastgesteld, ontstaat een ernstige infectie meestal met longontsteking, soms met leverontsteking. Een laag percentage van de geïnfecteerden ontwikkelt een chronische infectie die gepaard kan gaan met ontsteking van de hartkleppen. Daarnaast is er een verhoogd risico voor zwangeren, mensen met hartklepafwijkingen en mensen met verminderde weerstand. Coxiella burnetii kan ook de oorzaak zijn van het chronisch vermoeidheidssyndroom.

Hoe vaak komt Q-fever bij mensen in ons land voor?
Tot 2007 kwamen in ons land elk jaar maximaal 20 gediagnosticeerde ziektegevallen bij de mens voor. Het werkelijke aantal lag waarschijnlijk veel hoger. In 2007 zijn bijna 200 ziektegevallen bevestigd, vooral in een gebied rond Herpen. Ongeveer 45% van die patiënten werd opgenomen in het ziekenhuis. In 2008 bedroeg het totale aantal bevestigde gevallen bij de mens in ons land duizend en de meeste gevallen kwamen voor in het zuiden van ons land. Ruim 20% van die patiënten werd opgenomen in het ziekenhuis. In 2009 werden nog veel meer mensen ziek en aan het eind van het jaar stond de teller op ongeveer 2400. Ruim 20% van de patiënten werd opgenomen in het ziekenhuis. Hoewel heel veel zaken omtrent de uitbraak in ons land nog niet duidelijk zijn, mag worden verondersteld dat een deel van de toename in het aantal gediagnosticeerde Q-fever gevallen wordt veroorzaakt door een toegenomen belangstelling voor deze aandoening en door het uitvoeren van veel meer testen dan enkele jaren geleden.

Waar en hoe kun je Q-fever oplopen?
Mensen lopen een besmetting waarschijnlijk in de regel op door het inademen van besmet stof. Nageboorte, vruchtvliezen en vruchtwater van besmette dieren bevatten zeer veel bacteriën en een deel hiervan komt terecht in stro en mest in de stal. Onderzoek vindt plaats naar de mogelijke rol van mest en het uitrijden van de mest bij de overdracht van infectie. De bacterie kan vervolgens in de omgeving lang overleven en via besmet stof met de wind over betrekkelijk grote afstanden van enkele kilometers worden meegevoerd. We denken dat dit de meest waarschijnlijke besmettingsroute is voor de mens.

Hoe vaak komt Q-fever bij dieren in ons land voor?
De verwekker van Q-fever kan bij veel diersoorten voorkomen maar veroorzaakt bij dieren meestal geen problemen. Bij kleine herkauwers kan een infectie met Coxiella burnetii leiden tot abortus. Deze diagnose is in ons land in 2005 voor het eerst gesteld. Sinds die eerste gevallen zijn tot nu toe abortusproblemen vastgesteld bij twee melkschapenbedrijven en bij ruim twintig melkgeitenbedrijven. Op basis van een in 2008 uitgevoerd onderzoek komen op ongeveer 15% van de bedrijven met schapen en geiten seropositieve dieren voor. Deze dieren hebben in het verleden een besmetting doorgemaakt en hoeven op dit moment geen risico meer te vormen voor de volksgezondheid. 

Kunnen mensen elkaar besmetten?
Q-fever kan van mens op mens worden overgedragen maar het is niet precies bekend hoe vaak dit voorkomt en onder welke omstandigheden. Mensen doen een besmetting waarschijnlijk in de regel op door het inademen van besmet stof maar dit is niet de enige manier.

Wat kan ik doen om Q-fever te voorkomen?
De bacterie wordt vooral uitgescheiden door aborterende dieren die met Coxiella burnetii zijn besmet. Vooral schapen en geiten spelen daarbij een belangrijke rol maar ook andere diersoorten kunnen een besmetting overdragen. Daarom doet u er goed aan om bij contact met deze dieren goede hygiëne in acht te nemen en bijvoorbeeld na contact uw handen goed te wassen. Omdat de bacterie door besmette dieren in grote hoeveelheden in de omgeving wordt gebracht en dan via stof over relatief grote afstand kan worden verspreid, biedt geen enkele maatregel 100% bescherming.
Q-fever is een beroepsziekte van vooral veehouders, dierenartsen, slachthuismedewerkers en mensen die werkzaam zijn in de wol- en leerindustrie. Op bedrijven met abortusproblemen bij dieren is hygiëne van belang en moet van het organiseren van ‘open dagen’ worden afgezien. Zwangere vrouwen wordt geadviseerd om contact met schapen en geiten te vermijden tijdens en een paar weken na het lammeren, zeker als zich abortusproblemen op het bedrijf hebben voorgedaan.
De bacterie wordt inactief door pasteurisatie of koken. Aldus behandelde producten vormen dus geen enkel risico. Vooral kleine kinderen, ouderen, zwangeren en mensen met verminderde weerstand zouden het drinken van rauwe melk en het eten van  rauwmelkse producten moeten vermijden.
Welke maatregelen zijn er tot nu toe genomen om de blootstelling van de mens te beperken?
Hoewel nog lang niet alles bekend is over de uitbraken van Q-fever bij mens en dier zijn de volgende maatregelen genomen om de uitscheiding van Coxiella burnetii te verminderen en daarmee het risico op blootstelling van de mens:

  • meldingsplicht voor eigenaren en dierenartsen bij verdenking Q-fever bij schapen en geiten (zie: www.minlnv.nl);
  • tankmelkmonitoring op melkschapen- en melkgeitenbedrijven; op positieve bedrijven worden drachtige dieren sinds eind 2009 preventief geruimd;
  • Beperkingen uitrijden mest en toelaten bezoekers op besmette bedrijven (zie: www.minlnv.nl);
  • Hygiëneprotocol voor alle melkschapen- en melkgeitenbedrijven in Nederland;
  • Hygiëneprotocol voor overige bedrijven met schapen en geiten.
  • Uitgebreide communicatie over de aandoening en de mogelijkheden om de risico’s te beperken;
  • Vrijwillige vaccinatie van schapen en geiten tegen Q-fever in Zuid-Nederland in 2008;
  • Verplichte vaccinatie in 2009 van schapen en geiten op grote melkschapen- en melkgeitenhouderijen en op zorg- en kinderboerderijen in een gebied met een straal van 45 km rond Uden plus het resterende gedeelte van de provincie Noord-Brabant;
  • Verplichte vaccinatie in 2010 op bovengenoemde bedrijven in heel Nederland; ook de bedrijven met een meer dan gemiddeld dier-mens contact vallen onder deze verplichting. De bedrijven die onder de vaccinatieplicht vallen krijgen uiterlijk begin februari 2010 een schrijven om zich via een meegestuurd formulier te melden. Omdat de regelgeving op dit punt in de loop van 2010 nog kan worden aangepast adviseren wij u om voor de actuele stand van zaken de site van het ministerie van LNV te raadplegen (www.minlnv.nl).

Op basis van het hygiëneprotocol mag ik de mest nog niet uit de potstal halen. Mijn potstal is zo vol dat ik toch iets moet. Wat moet ik doen?
Voor deze specifieke situatie kunt u contact opnemen met de VWA. In onderling overleg wordt dan voor een oplossing gezorgd.

Welke dieren kunnen besmet zijn?
Herkauwers (schapen, geiten en koeien) zijn hoogstwaarschijnlijk een belangrijke bron van de ziekte voor de mens. Maar ook andere dieren zoals honden, katten, konijnen, duiven en andere vogels kunnen zijn besmet en een mogelijke bron van infectie zijn voor de mens. Dieren kunnen  besmettelijk zijn als zij de bacterie bij zich dragen en kunnen die dan met name rond en na de geboorte uitscheiden. Dit treedt vooral op als er sprake is geweest van een abortus die het gevolg was van een infectie met Coxiella burnetii. Wol kan ook langdurig besmettelijk zijn.

Wat zijn de verschijnselen van Q-fever bij dieren?
In de regel vertonen besmette dieren geen verschijnselen. Bij een deel van de besmette schapen en geiten is abortus het meest opvallende verschijnsel. Daarbij kunnen ook tijdig dode of slappe lammeren worden geboren. Bij het rund komen na een besmetting in de regel geen verschijnselen voor.

Hoe raken dieren besmet?
Dieren worden besmet vanuit de omgeving als Coxiella burnetii daar voorkomt. Daarnaast kunnen teken mogelijk de ziekte overbrengen maar de rol van de teek in Nederland is niet met zekerheid bekend en, op basis van de resultaten van voorlopig onderzoek, niet groot. Een dier kan met name in de aflamperiode veel kiemen uitscheiden vooral als zich abortusproblemen voordoen.

Hoe wordt de diagnose Q-fever bij schaap en geit gesteld?
Als bij een schaap of geit abortus optreedt, kan door middel van onderzoek van vrucht en nageboorte (beide zijn dus nodig maar in ieder geval de nageboorte) de diagnose worden gesteld. Daarnaast is op GD onderzoek mogelijk op antilichamen (ELISA) of de verwekker (PCR) via tankmelk- of bloedonderzoek. Hiermee is vast te stellen of een dier een besmetting met Coxiella burnetii heeft doorgemaakt of nog steeds DNA van de verwekker bij zich draagt. De laatste test geeft geen uitsluitsel over de besmettelijkheid van de aangetoonde Coxiella burnetii. 

Is de ziekte meldingsplichtig bij dieren?
Ja, sinds 12 juni 2008 is Q-fever als besmettelijke dierziekte aangewezen door de minister van LNV. Deze meldplicht gold in eerste instantie voor melkgeiten en –schapen op bedrijven met een abortusprobleem. Later is duidelijk geworden dat ook alle andere schapen- en geitenhouders verplicht zijn abortus te melden op basis van de regels die gelden voor Brucella melitensis. Deze meldplicht geldt ook voor dierenartsen. Verdere informatie kunt u vinden op de site van het ministerie van LNV (www.minlnv.nl).

Kun je dieren tegen Q-fever vaccineren?
In het najaar van 2008 hebben professionele melkschapen- en melkgeitenhouders, en eigenaren van zorg- en kinderboerderijen in een gebied met een straal van 45 km rond Uden hun schapen en geiten kunnen laten vaccineren. Daartoe is een vrijstelling verleend voor het nog niet geregistreerde vaccin Coxevac® van het Franse farmaceutisch bedrijf CEVA Santé Animale. In 2009 en 2010 is de vaccinatieplicht verder uitgebreid. Zie voor de actuele situatie op de site van het ministerie van LNV (www.minlnv.nl).

Is vaccinatie tegen Q-fever verplicht?
In 2010 is vaccinatie verplicht voor bedrijven met melkschapen en melkgeiten, voor de houders van schapen en geiten op kinderboerderijen, dierentuinen en zorgboerderijen en voor de houders van schapen in rondtrekkende kuddes, natuurgebieden en op bedrijven die lammertjesaaidagen houden.

Wie betaalt de kosten van de vaccinatie?
Het ministerie van LNV betaalt de kosten van het vaccin. De schapen- en geitenhouders betalen de eigen dierenarts voor de toediening van het vaccin.

Wie voert de vaccinatie uit?
De vaccinatie wordt uitgevoerd door de praktiserend dierenarts van het betreffende bedrijf.

Wanneer kan in 2010 worden gevaccineerd?
In totaal komen in 2010 1,5 miljoen doses beschikbaar. De bedrijven die hun dieren verplicht moeten vaccineren krijgen daarbij het vaccin als eerste geleverd. Begin februari 2010 krijgen de bedrijven die verplicht moeten vaccineren een brief en een formulier toegestuurd. Op basis van de informatie op de geretourneerde formulieren worden de vaccindoses geleverd aan de dierenarts van de schapen- en geitenhouder. Bij de vaccinatie hebben de bedrijven die verplicht moeten vaccineren altijd voorrang. De Gezondheidsdienst voor Dieren stuurt dit aan.

Welke organisaties zijn bij de vaccinatie betrokken?
Bij de organisatie van de vaccinatiecampagne zijn het ministerie van LNV, VWA, LTO, PVV, KNMvD en GD betrokken maar de uitvoering van de vaccinatie wordt door de GD georganiseerd. Voor vragen over de uitvoering kunt u terecht op de websites van de betrokken organisaties. Daar vindt u een uitgebreid overzicht met vragen en antwoorden (zie ook www.capraovis.nl ; Q-fever, meest gestelde vragen).
Voor vragen die u in genoemde overzichten mist kunt u terecht bij de Diergezondheidsadministratie Kleine Herkauwers van de GD: telefoon 0900 1770 of idr@gddeventer.com.

Hoe wordt over de vaccinatie gecommuniceerd?
De bedrijven die hun dieren verplicht moeten vaccineren krijgen begin februari een brief. De overige schapen- en geitenhouders kunnen informatie vinden in de agrarische pers en op de websites van bovengenoemde organisaties.

Hoe wordt de vaccinatie georganiseerd?
Eigenaren van de bedrijven met schapen en geiten die verplicht moeten worden gevaccineerd krijgen een brief met het verzoek om aan te geven op welk tijdstip vaccinatie bij voorkeur moet worden uitgevoerd. Met die informatie maakt de GD een planning van de vaccinatie en daarvan worden eigenaar en dierenarts op de hoogte gesteld. Dan wordt ook het vaccin geleverd aan de dierenartsenpraktijk. Omdat het vaccin verspreid over 2010 wordt geleverd kan niet elke houder begin 2010 zijn dieren vaccineren.
Andere schapen- en geitenhouders worden via verschillende websites en via de agrarische en landelijke pers geïnformeerd.

Waar moet ik laten weten dat ik mijn schapen en geiten wil laten vaccineren?
De schapen- en geitenhouders die hun dieren verplicht moeten laten vaccineren krijgen bericht en kunnen aangeven wanneer zij hun dieren bij voorkeur willen laten vaccineren. Deze groep krijgt voorrang.
Andere schapen- en geitenhouders die hun dieren vrijwillig willen laten vaccineren kunnen dit schriftelijk melden bij de Gezondheidsdienst voor Dieren, Diergezondheidsadministratie Kleine Herkauwers, Postbus 9, 7400 AA Deventer. Zij krijgen vervolgens een aanmeldingsformulier opgestuurd.  Op basis van de datum van aanmelding worden deze bedrijven vervolgens ingepland. Klik hier voor het formulier.

Mogen drachtige schapen en geiten worden gevaccineerd?
Drachtige dieren mogen niet worden gevaccineerd. Schapen- en geitenhouders moeten bij de planning van de vaccinatie rekening houden met het volgende entschema:

  • minimale leeftijd bij vaccinatie 3 maanden;
  • bij eerste keer enten: twee vaccinaties met 3 weken tussentijd;
  • bij tweede keer enten: één vaccinatie;
  • dekken vanaf 2 weken na laatste vaccinatie.

Specifieke vragen in verband met het onderzoek naar Q-koorts bij geiten, schapen en de veehouders
Bloedonderzoek bij geiten en schapen in Q-koorts vaccinatiegebied

Begin maart 2009 zijn melkschapen- en melkgeitenhouders in de provincie Noord-Brabant en delen van Limburg en Gelderland benaderd om mee te werken aan een onderzoek naar het voorkomen van Q-koorts. Aan dit onderzoek werken het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) en enkele andere instanties mee. Het doel van dit onderzoek is om de omvang van het Q-koorts probleem goed in kaart te brengen. Onderzoek richt zich op zowel geiten en schapen, de veehouders zelf, als ook de directe omgeving van de bedrijven. Voor deelnemende bedrijven zijn er geen kosten verbonden aan het onderzoek. Omdat het na vaccinatie niet meer mogelijk is om vast te stellen of geiten en schapen geïnfecteerd zijn geweest, zijn de bedrijven in het bovengenoemde gebied in Zuid-Nederland voor de vaccinatiecampagne 2009 benaderd om aan dit onderzoek mee te werken door bloedonderzoek naar Q-fever uit te laten voeren bij een klein deel van hun veestapel. In 2010 worden schapen- en geitenhouders in de rest van Nederland benaderd om aan dit onderzoek mee te werken. Op basis van vragenlijsten, bloed- en omgevingsonderzoek wordt bekeken in welke mate dieren, omgeving en veehouders zijn blootgesteld aan de bacterie Coxiella burnetii. Hieruit zal tevens duidelijk worden welke bedrijfsvoeringsaspecten mogelijk relevant zijn voor het risico op overdracht tussen dieren en van dier op mens.

Zijn er kosten aan het onderzoek verbonden voor de veehouder?
Nee, aan het onderzoek zijn geen kosten verbonden. De dierenarts en de kosten voor de laboratoriumtesten worden betaald via de GD.

Kan ik nog meedoen aan het onderzoek als ik heb meegedaan aan de verplichte of vrijwillige vaccinatiecampagne?
Als ALLE dieren op uw bedrijf zijn gevaccineerd is deelname inderdaad niet meer mogelijk. Als slechts een deel van uw dieren is gevaccineerd wordt in overleg met u gekeken of dit nog zinvol is. Uw bereidheid tot deelname kan dan gewoon kenbaar worden gemaakt via het antwoordformulier, waarna contact met u wordt opgenomen.

Ik ben al eerder bezocht door de VWA in verband met Q-koorts. Kunnen de informatie en de uitslagen van dat onderzoek niet worden gebruikt zodat een nieuw onderzoek niet nodig is?
Nee, helaas is die informatie niet bruikbaar voor het doel van het onderzoek. Voor een goede landelijke vergelijking is het noodzakelijk dat elk bedrijf op precies dezelfde manier wordt onderzocht en dat dezelfde methoden in het laboratorium worden gebruikt. Bovendien moet het moment van bloedonderzoek van u als veehouder zo dicht mogelijk liggen bij het moment van monstername van de dieren op uw bedrijf.

Wat zijn de consequenties als op mijn bedrijf Q-koorts wordt gevonden?
Er volgen geen maatregelen op grond van de uitkomst van het bloedonderzoek van uw dieren. Alleen als er op uw bedrijf sprake zou zijn van abortusproblemen die vallen binnen de meldingsplicht zoals in juni 2008 is ingesteld, zullen we u vragen dat, indien dat al niet gedaan is, te melden.