Verschijnselen
|
Chlamydophila abortus kan het eerste jaar na introductie op een bedrijf tot grote problemen leiden. Daarbij treden niet alleen gevallen van abortus op, ook worden verzwakte of dode lammeren geboren. In het eerste jaar van infectie kan abortus optreden bij dieren van alle leeftijden. In de jaren daarna treedt een stabilisatie van de problemen op en vindt op termijn bijna alleen abortus plaats bij dieren die voor de eerste keer werpen en bij aangekochte dieren. De infectie blijft in het koppel bestaan maar leidt bij dieren die geaborteerd hebben tot een zodanige immuniteit dat hetzelfde dier in de regel niet weer aborteert. Het ruimen van dieren die geaborteerd hebben, is daarom niet nodig. Als op een bedrijf van een deelnemer aan het GD Keurmerk Zoönosen een besmetting voorkomt bestaat een aantal mogelijkheden: de dieren kunnen worden gevaccineerd of de besmette dieren kunnen worden afgevoerd. Uitscheiding van de verwekker vindt plaats met de geboorte van de vrucht en met de schedeuitvloeiing gedurende verscheidene dagen. Deze uitscheiding kan enkele dagen voordat de abortus optreedt al beginnen en kan tot twaalf dagen na de abortus doorgaan. Ooien die hebben geaborteerd kunnen tijdens de bronst weer Chlamydophila abortus uitscheiden. Het is niet bekend hoe lang dit het geval blijft. Verwerpers zijn meestal niet of slechts heel kort ziek. Een enkele keer blijft een dier aan de nageboorte staan. |
