Aanpak chlamydophilose
- Op basis van een in 2005 uitgevoerd onderzoek heeft GD een protocol opgesteld voor de aanpak van Chlamydophila abortus op een besmet bedrijf. Het doel van dit protocol is tweeledig:
- Schade veroorzaakt door Chlamydophila abortus op een besmet bedrijf zo veel mogelijk beperken door het aantal abortusgevallen zo laag mogelijk te houden.
- Het risico voor de volksgezondheid zo veel mogelijk beperken, niet alleen op schapen- en geitenbedrijven, maar vooral op kinderboerderijen. Het protocol heeft ook als doel, indien mogelijk, om Chlamydophila abortus op het bedrijf uit te bannen.
Uitgangspunt protocol Het schapen- of geitenbedrijf of de kinderboerderij heeft te maken (gehad) met abortusgevallen en de diagnose is bevestigd middels sectie (specifiek vervolgonderzoek met bijvoorbeeld IFT (immuunfluorescentie test) op nageboorte of vrucht) of serologisch onderzoek. Het protocol is dus niet bedoeld om op basis van uitslagen van serologisch onderzoek alleen, dus zonder klinische abortusproblemen, tot actie over te gaan. Daarvoor is nader onderzoek nodig. Deelnemers aan het GD Keurmerk Zoönosen kunnen de GD vragen om een specifiek op hun situatie toegesneden advies.Indien op een bedrijf alleen sprake is van serologisch onderzoek met voor Chlamydophila abortus seropositieve uitslagen is het aan te bevelen eerst de diagnose te bevestigen door heel gericht vruchten en nageboortes in te sturen. De diagnose op basis van placentaveranderingen en bevestiging met IFT wordt gezien als de definitieve diagnose. Protocol besmet bedrijf - Direct volgend op een bevestiging van een eerste uitbraak, alle nog drachtige dieren tot het einde van de dracht – indien van toepassing herhaaldelijk – behandelen met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal) met een interval van 10 tot 14 dagen;
- een strikte scheiding en hygiëne toepassen: tijdens de aflamperiode moeten drachtige dieren en dieren die hebben geaborteerd van elkaar worden gescheiden. Het gaat hierbij niet alleen om direct diercontact maar ook om indirect contact;
- vóór de dekperiode volgend op een abortusuitbraak alle dieren vaccineren volgens het entschema van de fabrikant; zeker als de eerste abortusgevallen laat in het aflamseizoen optreden zal een deel van de drachtige dieren wel worden geïnfecteerd maar niet aborteren. De fabrikant beveelt op de bijsluiter aan om een jaarlijkse herhalingsenting toe te dienen aan alle dieren, niet korter dan vier weken voor de geplande dekdatum. Bij geiten zijn minder gegevens bekend met betrekking tot de effectiviteit van dit vaccin, maar het kan volgens dezelfde vaccinatieschema’s worden toegepast onder de 'off label use' voorwaarden;
- bij voorkeur gedurende minimaal één jaar geen ooi- of geitelammeren aanhouden die geboren zijn in het jaar dat de eerste abortusuitbraak zich voordeed. Hetzelfde geldt voor eenjarigen die niet hebben afgelamd (overlopers). Indien de eerste uitbraak optreedt aan het einde van de aflamperiode kunnen het jaar daarop de ooien of geiten die tijdens de eerste uitbraak niet hebben geaborteerd, alsnog verwerpen;
- aan te kopen dieren eerst vaccineren voordat zij aan het koppel worden toegevoegd; geen aankoop is de beste preventieve maatregel;
- ooien of geiten die hebben geaborteerd, het dekseizoen daarop volgend apart weiden of huisvesten en laten dekken door een ram of bok die geen andere ooien of geiten dekt; een deel van deze ooien of geiten kan namelijk tijdens de bronst opnieuw Chlamydophila abortus uitscheiden en de kans is aanwezig dat rammen of bokken deze infectie overbrengen;
- tijdens de aflamperiode volgend op de eerste abortusuitbraak kan het zinvol zijn drachtige dieren vanaf 90 dagen dracht tot het einde van de dracht met een interval van 10 tot 14 dagen te behandelen met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal). Op melkleverende bedrijven kan dit een probleem zijn in verband met wachttijden. Zowel voor de toepassing van vaccinatie als voor het inzetten van oxytetracycline geldt dat het resultaat niet is gegarandeerd. Toepassing van antibiotica vermindert het aantal abortusgevallen en verlaagt de infectiedruk. Het inzetten van antibiotica geeft geen herstel van beschadigingen die al zijn opgetreden.
Herbevolken Als alternatief voor het ‘protocol besmet bedrijf’ kan de dierhouder alle dieren ruimen (slachten) en het bedrijf herbevolken met dieren afkomstig van bedrijven zonder abortusproblematiek en met uitsluitend seronegatieve dieren, ofwel dieren afkomstig van onverdachte bedrijven. Dit kan zeker in overweging worden genomen worden als er naast Chlamydophila abortus ook nog andere aandoeningen spelen zoals zwoegerziekte, CL, CAE of scrapie. Aandachtspunten Het is voor een besmet bedrijf niet eenvoudig om de besmetting definitief kwijt te raken. Een behandeling bestaat daarom uit een combinatie van maatregelen. Bij het communiceren over het protocol is het goed ook de aandacht te vestigen op het volgende: - Als een eerste abortusuitbraak begint aan het eind van de dracht, dat wil zeggen in de periode dat er dieren zijn die minder dan 5 tot 6 weken hebben te gaan tot het einde van de dracht, zal een infectie bij die dieren in de regel niet meer leiden tot een abortus. Dergelijke dieren kunnen het jaar daarop alsnog aborteren.
- Infectie van de ram of bok kan leiden tot een testikelontsteking en in de acute fase van de infectie kan Chlamydophila abortus aanwezig zijn in het sperma. Een ooi of geit die heeft geaborteerd kan tijdens de bronst ook Chlamydophila abortus uitscheiden. Op basis hiervan raden wij aan om rammen of bokken die geaborteerde ooien of geiten hebben gedekt geen andere groepen dieren te laten dekken.
- Het is niet wenselijk dat een schapen- of geitenhouder die Chlamydophila abortus op zijn bedrijf heeft mannelijke dieren verkoopt voor de dekdienst. Hoewel in de literatuur wordt aangegeven dat mannelijke dieren een ondergeschikte rol spelen in de epidemiologie en verspreiding van de infectie tussen bedrijven, lijken hieraan toch risico’s te kleven, zeker als het gaat om oudere rammen of bokken die op het herkomstbedrijf hebben gedekt.
|