Overige bevindingen

Salmonella typhimurium
Op een schapenhandelsbedrijf in Zuid-Holland werd in oktober sterfte gemeld onder aangekochte lammeren. De dieren hadden diarree, hoge koorts, werden algeheel ziek en stierven. Het eerste dier dat ter sectie werd aangeboden bleek te zijn gestorven aan een longontsteking. Op basis van deze, voor de veehouder, niet verklaarbare uitslag is het bedrijf bezocht. Tijdens het bedrijfsbezoek werd de waarschijnlijkheidsdiagnose salmonellose gesteld en op basis van een mestonderzoek door de praktiserend dierenarts werd deze diagnose bevestigd. Na overleg is besloten om nogmaals een dier ter sectie aan te bieden en tevens zijn er nieuwe mestmonsters ingestuurd. Bij al deze onderzoeken werd de bacterie Salmonella typhimurium aangetoond.
Met het aantonen van de bacterie werd de herkomst er van nog niet vastgesteld. De drie mogelijke bronnen op dit bedrijf waren: aankoop van besmette dieren, insleep via het drinkwater en via het voer. Op dit bedrijf werden vele dieren verhandeld en de dierstromen bleken lastig in kaart te brengen. De schapen op dit bedrijf kregen leidingwater te drinken en zodoende leek een besmetting via het water niet waarschijnlijk. Het rantsoen als oorzaak leek ook niet waarschijnlijk: de dieren kregen graskuil gevoerd en Salmonella overleeft niet bij lage pH; bij navraag bleek de kuil te kort te zijn ingekuild. Hierdoor zou het inkuilingsproces niet goed verlopen kunnen zijn en zou mogelijk de Salmonella hebben kunnen overleven. Er zijn monsters van de kuil bij GD onderzocht en de pH van de kuil bleek inderdaad te hoog te zijn en bovendien werd bij kweek de bacterie Salmonella typhimurium gekweekt. Om het verband met zekerheid aan te tonen is een MLVA-typering uitgevoerd van de Salmonella uit het gestorven lam en de Salmonella die in de kuil is gevonden. In beide gevallen bleek het om het MLVA-type 02-12-07-09-212 te gaan. Dit is een ander MLVA-type dan het type dat bij de humane uitbraak in Zuid-Holland is vastgesteld door het RIVM.

Resistentie tegen triclabendazol
Resistentie van leverbot voor triclabendazol is in bepaalde gebieden in Nederland al langere tijd bekend. In het eerste halfjaar van 2010 bleekook resistentie voor te komenop locaties waarvan dat nog niet bekend was. Op drie bedrijven waren schapen gestorven die zes weken daarvoor waren behandeld tegen leverbot. Om de resistentieverdenking te bevestigen zijn de koppels nogmaals behandeld en vervolgens zijn er mestmonsters onderzocht op de aanwezigheid van eieren van Fasciola hepatica. In één geval betrof het dieren die waren aangekocht uit een gebied waarvan bekend is dat er resistentie voorkomt. In het noorden van Friesland is de resistentie inmiddels bevestigd. Het onderzoek in Twente loopt nog. Door de lage leverbotbesmetting in 2010 zijn er geen nieuwe meldingen van resistentie binnengekomen.In de toekomst moet rekening worden gehouden met een verdere uitbreiding van resistentie tegen triclabendazol. Het is aan te bevelen om de resistentieontwikkeling te blijven monitoren en om uitkomsten daarvan te blijven communiceren.

Visna-problemen op schapenbedrijven
In de zomermaanden van 2010 is meerdere malen melding gedaan van hersenverschijnselen op schapenbedrijven. Deze verschijnselen kunnen door diverse aandoeningen worden veroorzaakt, maar in dit geval bleek uit sectie en bloedonderzoek dat het om “visna” ging, de hersenvorm van zwoegerziekte. Een van deze bedrijven is bezocht en bleek al meerdere jaren grote problemen met verhoogde uitval onder de schapen te hebben. Jaarlijks bleek 30% van de schapen in dit koppel te moeten worden vervangen. Gezien de verspreiding binnen het koppel is geadviseerd om te stoppen met dit koppel en te starten met een zwoegerziektevrij koppel.
Zwoegerziekte kent vier uitingsvormen; de longvorm (maedi), de uiervorm, de gewrichtsvorm en de hersenvorm (visna). In de jaren ’50 van de vorige eeuw hebben zich grote problemen met “visna” voorgedaan op IJsland. De hersenvorm van zwoegerziekte is de laatste jaren enkele malen gediagnosticeerd, maar de bevindingen in de afgelopen zomer zijn opvallend.
Wanneer een bedrijf besmet raakt zal dit op termijn leiden tot problemen met verhoogde uitval. Aangedane dieren vermageren, kunnen benauwd worden, produceren slechter, en zullen uiteindelijk sterven. Er bestaat een bestrijdingsprogramma voor zwoegerziekte in Nederland. Deelname aan dit programma is vrijwillig.

Ontstoken oren na oormerken
Er is afgelopen jaar een aantal maal melding gedaan van problemen met elektronische oormerken. In de regel betrof het oormerken waar aan de binnenkant van het oor een ronde chip aanwezig was. Mogelijk veroorzaakt dit schuurplekken, waardoor wondjes ontstaan die vervolgens secundair geïnfecteerd raken. Wanneer een houder te maken heeft met zwerende oren van zijn/haar dieren ten gevolge van oormerken wordt geadviseerd de merken te verwijderen en, zodra het oor is genezen, het dier opnieuw oormerken in te brengen.

Abortus bij schaap en geit
De recente Q-fever problemen bij mensen hebben geleid tot een toegenomen belangstelling voor abortusverwekkers van kleine herkauwers. Een groot deel van de infectieuze abortusverwekkers bij schaap en geit is namelijk niet zonder risico voor de mens. Abortus bij kleine herkauwers is meldingsplichting wanneer er meer abortus optreedt dan normaal. Op basis van deze meldingsplicht heeft een deskundigenteam bestaande uit de eigen praktiserend dierenarts van het bedrijf, een dierenarts-specialist van de GD en een dierenarts van de nVWA een tweetal bedrijven met een toegenomen aantal abortusgevallen  bezocht. Het ter sectie aangeboden materiaal heeft op beide melkgeitenbedrijven geen infectieuze verwekker opgeleverd. Ook in de telefoondienst van GD-Veekijker komen regelmatig vragen met betrekking tot abortus aan de orde. Daarbij wordt gewezen op genoemde meldingsplicht.
Ondanks het relatief hoge aantal telefoontjes over abortus, blijft het aantal ter sectie aangeboden vruchten en placenta’s achter ten opzichte van andere jaren. Of dit te maken heeft met twijfel bij veehouders over mogelijke consequenties is niet helemaal duidelijk.

Opvolging eerder gemelde bijzonderheden

Kopervergiftiging bij schapen
Vanaf de zomer van 2009 is een aantal keren melding gemaakt van sterfte onder Rijnlam lammeren die binnen werden afgemest op rundveebrok. Uit sectie bleek dat de lammeren waren gestorven aan een kopervergiftiging en ook in 2010 is deze diagnose weer bij gestorven lammeren gesteld. Het kopergehalte in rundveebrok is hoger dan in schapenbrok, maar de prijs ervan ligt lager. Sommige schapenrassen, zoals de Texelaar, zijn extreem gevoelig voor kopervergiftiging. Andere schapenrassen, zoals het Fins landras kunnen veel meer koper in het rantsoen verdragen. Het gebruik van rundveebrok blijft echter een risico voor kopervergiftiging bij schapen en het blijft belangrijk om dit te blijven communiceren.
Daarnaast is kopervergiftiging aangetoond als oorzaak van sterfte bij een Texelaarfokker. In dit geval had de voerleverancier per ongeluk een brok geleverd met een te hoog kopergehalte. Er is de fokker geadviseerd om het koppel gedurende langere tijd te weiden op gras en geen bijproducten te verstrekken. Gras “ontkopert” beter dan kuil en kuil weer beter dan hooi.

CL bij fokschapen
In het voorjaar van 2010 is de ziekte CL op meerdere schapenbedrijven vastgesteld. Het betrof in alle gevallen Suffolk schapen. Het voorkomen van de aandoening kwam aan het licht toen een schapenhouder een aantal van zijn dieren met klinische klachten serologisch liet onderzoeken. De serologisch positieve schapen waren aangekocht. Vervolgens bleek het bedrijf van herkomst ook ernstig besmet te zijn. Dit bedrijf betrof een fokbedrijf en alle relaties van dit bedrijf is aanbevolen om dieren te laten onderzoeken.  Aan het eind van 2010 is op 47 van de 57 contactbedrijven bloedonderzoek verricht bij 791 schapen. Op 66% van de bedrijven zijn geen positieve dieren aangetroffen. In totaal zijn in 5.1% van de bloedmonsters afweerstoffen tegen CL aangetroffen. Er is telefonisch contact geweest met alle besmette bedrijven en deze zijn geënquêteerd. Een vijftal van deze besmette bedrijven is bezocht. Vrijwel alle positieve dieren zijn van de bedrijven afgevoerd. De contactbedrijven is geadviseerd om 6 maanden na het eerste bloedonderzoek, vervolgonderzoek te laten verrichten. De resultaten hiervan zullen in het voorjaar van 2011 bekend worden.
Caseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële aandoening die wordt veroorzaakt door Corynebacterium pseudotuberculosis. Vooral kleine herkauwers, maar ook andere diersoorten zoals het rund en het paard kunnen de ziekte krijgen. De aandoening is ook bekend onder de volgende namen: pseudotuberculose, kaasachtige lymfklierontsteking en ‘bultenziekte’. CL is een zoönose hoewel slechts weinig gevallen bij de mens zijn bevestigd.
Sinds 1989 bestaat in ons land een georganiseerde CL-bestrijding voor geiten. De bestrijding en bewaking bij geiten zijn gebaseerd op het ‘Reglement bestrijding CL 2004’. Een dergelijke georganiseerde bestrijding bij schapen bestaat nog niet, maar kan worden opgezet.

Wolschurft bij schapen in Nederland
In 2008 heeft de GD  melding gemaakt van ernstige wolschurftinfecties in Zuidwest-Nederland. In het eerste halfjaar van 2009 zijn uit het hele land meldingen van wolschurft bij schapen en lammeren ontvangen. In de tweede helft van 2009 was sprake van meer meldingen van wolschurft dan in voorafgaande jaren. En ook in 2010 komen nog steeds meldingen binnen van gevallen van wolschurft waarbij de behandeling  onvoldoende effect sorteert.
Wolschurft bij schapen wordt veroorzaakt door de parasiet Psoroptes ovis. De gangbare bestrijding bleek in sommige koppels onvoldoende effect te hebben, waardoor het welzijn van de aangedane schapen ernstig werd aangetast. De schapen vertoonden heftige jeuk, woluitval, waren ernstig vermagerd en er trad zelfs sterfte op. Op enkele van deze bedrijven komen de problemen al langere tijd voor en lijken niet goed te reageren op behandeling hoewel in een aantal gevallen niet helemaal duidelijk is of de behandeling wel goed is uitgevoerd. In het verleden was deze aandoening vanwege de ernstige problemen bij aangetaste dieren aangifteplichtig onder de Veewet. Kennis over preventie en behandeling lijkt minder aanwezig dan in het verleden en behoeft aandacht. Daarnaast is het belangrijk om mensen te blijven voorlichten over het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Zaken die hierbij aan bod moeten komen zijn: persoonlijke veiligheid, veiligheid voor het dier, volksgezondheid en milieu.

Afgelopen winter meer listeriose
In de eerste maanden van 2010 kwamen zowel via GD-Veekijker als via de sectiezaal meer meldingen binnen van het voorkomen van listeriose bij schapen. In veel gevallen betrof het dieren die neurologische klachten ten gevolge van hersenvliesontsteking hadden. In een aantal gevallen van abortus is Listeria monocytogenes als verwekker aangetoond. Eenmaal werd Listeria ivanovii als veroorzaker van abortus aangetoond.
Listeriose is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Listeria monocytogenes. De aandoening uit zich in de vorm van neurologische problemen of abortus. Soms wordt L. ivanovii als verwekker van abortus beschreven. De bacterie komt met name in grond voor. Rondom de voerwinning is het belangrijk om grond in de kuil te mijden. Berucht voor het oplopen van infecties zijn te natte kuilen met grond erin en perioden waarin de sloten zijn uitgebaggerd. Mogelijk kwamen er dit jaar meer meldingen van listeriose bij schapen binnen door de lange winter waarin meer gewonnen ruwvoer verstrekt is aan de schapen. Listeriose is een zoönose.
In de laatste maanden van 2010 is wederom meerdere malen melding gemaakt van hersenverschijnselen bij met name geiten ten gevolge van listeriose. De behandeling bleek in een aantal gevallen slecht aan te slaan, ondanks gebruik van een in principe geschikt antibioticum. Daarnaast werden tot drie weken na het wijzigen van het rantsoen nieuwe klinsiche gevallen gezien.
De bacterie kan via een wondje in de mond in de zenuwbanen komen om daarna hersenvliesontsteking te veroorzaken. Voor een goede reactie op een ingestelde therapie is niet alleen een antibioticum nodig waar de verwekker gevoelig voor is maar ook de  doordringbaarheid van het antibioticum in de hersenen is belangrijk. Daarnaast moeten aangedane dieren frquent kleine beetjes vocht toegediend krijgen, omdat ze anders kunnen uitdrogen. Besmette dieren kunnen de bacterie via de melk uitscheiden en aldus kunnen producten die worden bereid uit ongepasteuriseerde melk besmet raken. Op besmette bedrijven wordt gewaarschuwd voor dit potentiële zoönotische risico. Het vermijden van ingekuilde producten zou moeten worden overwogen voor bedrijven die rauwe melk verwerken.