Overige bevindingen

Nematodirus battus in het voorjaar
In het voorjaar van 2010 werd meerdere keren sterfte van lammeren met diarree gemeld, terwijl het mestonderzoek negatief was verlopen. Uit dieren die vervolgens ter sectie werden aangeboden werd de diagnose Nematodirose gesteld. Een van de mogelijke verklaringen hiervoor was dat op het moment van het mestonderzoek de larvale stadia van de Nematodirus battus de klinische klachten veroorzaakten. Wanneer er nog geen volwassen wormen aanwezig zijn kunnen ook geen wormeieren gevonden worden. Uit onderzoek op mest van jonge lammeren bleek meerdere malen dat eieren van trichostrongyliden en nematodirus konden worden gevonden. Dit is opvallend aangezien een infectie met trichostrongyliden pas later zou optreden als dat nu werd gezien, maar zou kunnen passen bij het vroege voorkomen van haemonchose zoals dat afgelopen jaren is waargenomen.
Nematodirus battus is een rondworm die ernstige diarree en zelfs sterfte bij lammeren veroorzaakt. Infectie worden met name in het vroege voorjaar gezien na een “Elfstedentochtwinter”. Soms worden ook infecties bij lammeren in het najaar gezien. Geïnfecteerde lammeren vertonen een opvallende dorst. De aandoening is goed te behandelen met benzimidazolen. Ontwormmiddelen uit Groep 3 (Avermectinen/Milbemycinen) zijn niet of minder goed werkzaam. Het blijkt dat kennis omtrent deze worminfectie en de behandeling ervan bij veel houders onvoldoende is.

Afgelopen winter meer listeriose
In de wintermaanden kwamen zowel via de Veekijker als via de sectiezaal meer meldingen binnen van het voorkomen van listeriose bij schapen en geiten. In veel gevallen betrof het dieren die neurologische klachten, ten gevolge van hersenvliesontsteking, hadden. In een aantal gevallen van abortus is Listeria monocytogenes als verwekker aangetoond. Eenmaal werd Listeria ivanovii als veroorzaker van abortus aangetoond.
Listeriose is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Listeria monocytogenes. De aandoening uit zich in de vorm van neurologische problemen of abortus. Soms wordt L. ivanovii als verwekker van abortus beschreven. De bacterie komt met name in grond voor. Rondom de voerwinning is het belangrijk om grond in de kuil te mijden. Berucht voor het oplopen van infecties zijn te natte kuilen met grond erin en perioden waarin de sloten zijn uitgebaggerd. Mogelijk kwamen er dit jaar meer meldingen van listeriose bij schapen binnen door de lange winter waarin meer gewonnen ruwvoer verstrekt is aan de schapen. De aandoening is een zoönose.

Resistentie tegen triclabendazole
Resistentie van leverbot tegen triclabendazole is in bepaalde gebieden in Nederland al langere tijd bekend. In het eerste halfjaar van 2010 is gebleken dat resistentie ook voorkomt op locaties waarvan dat nog niet bekend was. Er waren op 3 bedrijven schapen gestorven die 6 weken daarvoor waren behandeld tegen leverbot. Om de resistentieverdenking te bevestigen zijn de koppels nogmaals behandeld en vervolgens zijn er mestmonsters onderzocht op de aanwezigheid van eieren van Fasciola hepatica. Resistentie werd bevestigd. In één geval betrof het dieren die waren aangekocht uit een gebied waarvan bekend is dat er resistentie bestaat. Het is aan te bevelen om de resistentieontwikkeling te blijven monitoren en om informatie te blijven verstrekken en duidelijke adviezen omtrent behandelingen te geven.

CL bij fokschapen
In het voorjaar van 2010 is de ziekte CL op meerdere schapenbedrijven vastgesteld. Het betrof in alle gevallen Suffolk schapen. Het voorkomen van de aandoening kwam aan het licht toen een schapenhouder een aantal van zijn dieren met klinische klachten liet onderzoeken. De positieve schapen waren aangekocht op een bedrijf. Vervolgens bleek het bedrijf van herkomst ook ernstig besmet te zijn. Dit bedrijf betrof een fokbedrijf en alle relaties van dit bedrijf is aanbevolen om dieren te laten onderzoeken. Tot op heden zijn er op 15 bedrijven met CL besmette schapen gevonden.
Caseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële aandoening die wordt veroorzaakt door Corynebacterium pseudotuberculosis. Vooral kleine herkauwers, maar ook andere diersoorten zoals het rund en het paard kunnen de ziekte krijgen. De aandoening is ook bekend onder de volgende namen: pseudotuberculose, kaasachtige lymfklierontsteking en ‘bultenziekte’. CL is een zoönose.
Volgens een ruwe schatting was in Nederland in de periode 1990 -1995 ongeveer vijf procent van de geitenbedrijven en minder dan 0,001 procent van de schapenbedrijven met CL besmet. Op besmette bedrijven is vaak circa dertig procent van de dieren besmet. Sinds 1989 bestaat in ons land een georganiseerde CL-bestrijding voor geiten. De bestrijding en bewaking bij geiten zijn gebaseerd op het ‘Reglement bestrijding CL 2004’. Een dergelijke georganiseerde bestrijding bij schapen bestaat nog niet, maar kan worden opgezet. Op dit moment is er een plan van aanpak gestart om de CL-problematiek aan te pakken en verdere verspreiding te voorkomen.
 
Geiten verbloed na behandeling tegen schijndracht
In het voorjaar van 2010 werd een tweetal melkgeiten ter sectie aangeboden die enkele dagen voordat ze stierven waren behandeld voor schijndracht met een prostaglandine-preparaat. De sectie-uitslag was eenduidig: Beide dieren waren verbloed in het ligamentum lata. Overigens was de baarmoeder van beide dieren (inmiddels) leeg.
Schijndracht is gedefinieerd als een aseptische vochtophoping in de baarmoeder. De inhoud van een schijndrachtige baarmoeder kan uit vele liters vocht bestaan. Een mogelijke verklaring voor de sterfte zou tractie op de ligamenten kunnen zijn. Ten gevolge van het samentrekken van de baarmoeder om zo de lediging te kunnen bewerkstelligen is een bloedvat gescheurd. De aandoening wordt behandeld door geiten tweemalig (met een tussentijd van 2 weken) een injectie met prostaglandinen toe te dienen. In sommige gevallen wordt ook nog oxytocine toegediend. Hierdoor is er mogelijk nog meer tractie op de ligamenten gekomen. Aangezien schijndracht een veel voorkomende aandoening in de melkgeitenhouderij is en dit de eerste melding van sterfte is zou het om een toevalsbevinding kunnen gaan. Echter, alertheid op herhaling is vereist.

Verdenking CODD (contagious ovine digital dermatitis)
Op een schapenbedrijf dat regelmatig schapen importeert vanuit het Verenigd Koninkrijk is een aantal dieren geeuthanaseerd met klauwproblemen die niet verbeterden ondanks diverse behandelingen. De gangbare klauwaandoeningen (als rotkreupel, zoolzweer en tussenklauwontsteking) waren uitgesloten door de praktiserend dierenarts. De problemen begonnen met ernstige kreupelheid, waarbij de dieren amper meer konden lopen. Uiteindelijk raakte een van de klauwen zo ernstig aangedaan dat euthanasie de enige optie was.
contagious ovine digital dermatitis (CODD) is een aandoening waarbij meerdere bacteriën kunnen worden aangetoond. Het is op dit moment niet duidelijke welke bacterie of welke combinaties verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de aandoening, maar het vermoeden bestaat dat spirocheten een rol spelen. De aandoening is moeilijk aan te tonen door de onduidelijke etiologie. De diagnose wordt gesteld door het uitsluiten van andere klauwaandoeningen. De aandoening is ongeveer 4 jaar geleden voor het eerst beschreven in het Verenigd Koninkrijk en heeft zich daar sindsdien behoorlijk verspreid. In dit kader is het belangrijk om dieren die worden geïmporteerd minimaal 4 weken in quarantaine te houden en in deze periode zeer alert te zijn op onder andere gezonde klauwen, maar ook de aanwezigheid van gezwollen lymfeknopen (CL) en het voorkomen van andere ziekteverschijnselen).

Opvolging eerder gemelde bijzonderheden

Plaveiselcelcarcinomen op de uierhuid van melkgeiten
Op een biologisch melkgeitenbedrijf zijn bij een groot deel van het koppel afwijkingen aan de uierhuid waargenomen. De afwijkingen verdwenen niet in de loop van de tijd en uiteindelijk zijn er dieren voor sectie aangeboden. De afwijkingen bleken plaveiselcelcarcinomen te zijn. In één geval werd uitzaaiing naar de regionale lymfeknoop waargenomen. Er is materiaal van deze tumoren ingezonden om te laten onderzoeken op de aanwezigheid van virussen, vanwege het grote aantal aangedane geiten binnen dit koppel. De onderzoeken op de aanwezigheid van een virus hebben geen uitsluitsel kunnen geven. Er is in 2010 wel een nieuwe melding gekomen van een bedrijf met melkgeiten met problemen op de uierhuid. Ook in dit geval ging het om plaveiselcelcarcinomen op een biologisch melkgeitenbedrijf. De lichte huid en een overmaat van UV-straling zouden een rol kunnen spelen in de etiologie van de aandoening.

Te kleine ogen bij een blindfactorvrij lam
Bij een lam dat in het voorjaar is geboren werd beiderzijdse blindheid vastgesteld. Het Texelse lam bleek te zijn voortgekomen uit blindfactorvrije ouders en zodoende is ook het lam individueel onderzocht met een daarvoor bestaande DNA-test. Het lam bleek genetisch geen blindfactor te hebben. Uit sectie op het lam bleek echter dat het sectiebeeld past bij de aandoening microphthalmie.
Microphthalmie is een erfelijke aandoening die berust op een verhoogde behoefte aan vitamine A. Suppletie van vitamine A zou theoretisch microphtalmie kunnen voorkomen. Het ontstaan van mircophthalmie bij een blindfactorvrij dier blijft raadselachtig. Dit jaar is er contact geweest en er zijn geen nieuwe gevallen aan het licht gekomen.

Kopervergiftiging bij het Rijnlam
Vanaf de zomer van 2009 is een aantal keren melding gedaan van sterfte onder Rijnlam lammeren die binnen werden afgemest op rundveebrok. Uit sectie bleek dat de lammeren waren gestorven aan een kopervergiftiging en ook in 2010 is deze diagnose weer bij gestorven lammeren gesteld. Het kopergehalte in rundveebrok is hoger dan in schapenbrok, maar de prijs ervan ligt lager. Sommige schapenrassen, zoals de Texelaar zijn extreem gevoelig voor kopervergiftiging. Andere schapenrassen, zoals het Fins landras kunnen veel meer koper in het rantsoen aan. Het gebruik van rundveebrok blijft echter een risico voor kopervergiftiging bij schapen en het blijft belangrijk om dit te blijven communiceren.

Wolschurft bij schapen in Nederland
In 2008 heeft de GD  melding gemaakt van ernstige wolschurftinfecties in Zuidwest-Nederland. In het eerste halfjaar van 2009 zijn uit het hele land meldingen van wolschurft bij schapen en lammeren ontvangen. In de tweede helft van 2009 was er sprake van meer meldingen van wolschurft dan in voorafgaande jaren. En ook in 2010 komen er nog steeds meldingen binnen van gevallen van wolschurft waarbij de behandeling  onvoldoende effect sorteert.
Wolschurft bij schapen wordt veroorzaakt door de parasiet Psoroptes ovis. De gangbare bestrijding bleek in sommige koppels onvoldoende effect te hebben, waardoor het welzijn van de aangedane schapen ernstig werd aangetast. De schapen vertoonden heftige jeuk, woluitval, waren ernstig vermagerd en er trad zelfs sterfte op. Op enkele van deze bedrijven komen de problemen al langere tijd voor en lijken niet goed te reageren op behandeling hoewel in een aantal gevallen niet helemaal duidelijk is of de behandeling wel goed is uitgevoerd. In het verleden was deze aandoening vanwege de ernstige problemen bij aangetaste dieren aangifteplichtig onder de Veewet. Kennis over preventie en behandeling lijkt minder aanwezig dan in het verleden en behoeft aandacht.