Overige bevindingen

Sterfte bij ooien en lammeren als gevolg van Haemonchus contortus
Net als in 2008 werd in 2009 al in april sterfte bij volwassen schapen vastgesteld als gevolg van besmetting met Haemonchus contortus. Therapeutische mogelijkheden lijken te worden beperkt door aanwijzingen voor toenemende resistentie tegen avermectinen. Zie verder 4.1 Specifieke aandoeningen.

Wolschurft bij schapen in Nederland
Werd er vorig jaar melding gemaakt van ernstige wolschurftinfecties in Zuidwest-Nederland  komen in het eerste halfjaar van 2009 de meldingen binnen vanuit het hele land. Wolschurft bij schapen wordt veroorzaakt door de parasiet Psoroptes ovis. De gangbare bestrijding bleek in sommige koppels onvoldoende effect te hebben, waardoor het welzijn van de aangedane schapen ernstig werd aangetast. De schapen vertoonden heftige jeuk, woluitval, waren ernstig vermagerd en er trad zelfs sterfte op. In het verleden was deze aandoening vanwege de ernstige problemen bij aangetaste dieren aangifteplichtig onder de Veewet. Kennis over preventie en behandeling lijkt minder aanwezig dan in het verleden en behoeft aandacht.


Wolschurft
In Zuidwest-Nederland is opnieuw op een viertal schapenbedrijven ernstige wolschurft vastgesteld bij schapen en lammeren. De dieren vertoonden ernstige jeuk en wolverlies gepaard gaande met ernstige vermagering en sterfte. Op enkele van deze bedrijven komen de problemen al langere tijd voor en lijken niet goed te reageren op behandeling hoewel in een aantal gevallen niet helemaal duidelijk is of de behandeling wel goed is uitgevoerd. Kennis over deze infectie en de behandeling daarvan schiet op een aantal bedrijven duidelijk tekort.

Verlammingsverschijnselen bij ooien en lammeren na vaccinatie tegen rotkreupel
Van meerdere bedrijven zijn dit jaar meldingen gekomen van schapen en lammeren met verlammingsverschijnselen na vaccinatie tegen rotkreupel. Op een van die bedrijven werden 400 dieren gevaccineerd en ongeveer vijf dagen later vertoonden 17 lammeren en 3 oudere ooien verlammingsverschijnselen. De schapen oogden niet ziek maar konden niet meer staan. Alle dieren waren volgens voorschrift subcutaan achter het oor gevaccineerd. Bekend is dat bij deze vaccinatie langdurige en heftige entreacties (abcessen) kunnen ontstaan. Op hetzelfde bedrijf waren ook een jaar eerder dieren gestorven met dezelfde verschijnselen. Pathologisch onderzoek van een van de dieren toonde een abcederende entreactie aan (zie Foto 2), de waarschijnlijke oorzaak van de verlammingsverschijnselen.

Huidproblemen bij Zwartbles
In 2005 is voor het eerst melding gemaakt van een specifiek huidprobleem bij de Zwartbles met mogelijk een erfelijke achtergrond. Ook het afgelopen halfjaar is er weer melding gemaakt van deze aandoening. Tot nu toe is er nog geen inventarisatie gemaakt naar de erfelijke achtergrond van deze afwijking.

 

Coccidiose
Sinds kort bestaat bij de GD de mogelijkheid om een Eimeria-specifiek coccidiose onderzoek op schapen- en geitenmest te laten uitvoeren. Op deze manier kan onderscheid worden gemaakt tussen wel of niet ziekteverwekkende Eimeria-soorten. Hiermee kan het onnodige gebruik van coccidiostatica worden voorkomen.

Cryptosporidiose
Zowel bij schapen- als geitenlammeren wordt in toenemende mate de diagnose darmonsteking door cryptosporidiose gesteld vooral op intensieve bedrijven. Zorgwekkend blijft de toename van het stelselmatig preventief gebruik van Gabbrovet® . Daar waar verbetering van de hygiëne en aanpassingen van het management een betere oplossingsrichting is.

BVD/Border Disease (BD)
Op  schapenbedrijven werd een seroprevalentie van 45% [CI 95%: 36 – 54%] aangetoond,waarbij op bedrijfsniveau de antilichaam prevalentie varieerde tussen 4 en 65 procent van de geteste dieren. Ook in onderzochte sera van geitenbedrijven werden antilichamen tegen pestivirussen aangetoond. Gebruikmakend van de ns3-elisa werd een gemiddelde bedrijfsprevalentie geconstateerd van 32 procent, met een spreiding van 1-100 procent. Op 27 procent [CI 95%: 23 – 31%] van de onderzochte geitenbedrijven bleek één of meer van de onderzochte sera serologisch positief.

Q-fever   
In het eerste half jaar is op 7 bedrijven bij pathologisch onderzoek van verworpen vruchten en placenta’s op de GD Q-fever aangetoond. Op één van de besmette bedrijven waren ook in 2006 abortus problemen geweest is als gevolg van Coxiella burnetii . Voor zover bekend is dit het eerste besmette geitenbedrijf dat een aantal jaar na de eerste abortusgolf ten gevolge van Q-fever opnieuwtwee geconfronteerd wordt met klinische problemen (abortus) ten gevolge van Q-fever.

Sarcina-infectie
Bij een geitenlam dat voor nader onderzoek was opgestuurd naar de GD in het voorjaar van 2009 is een infectie met Sarcina-bacteriën vastgesteld. De Sarcina-bacteriën veroorzaken lebmaagtympanie en een perforatie van de lebmaagwand waardoor een buikvliesontsteking ontstaat. De aandoening is bekend bij kalveren en lammeren van schapen en geiten maar was niet eerder gevonden bij lammeren in Nederland.

Sarcina-bacteriën
Bij een geitenlam is in het voorjaar van 2009 een infectie met Sarcina-bacteriën gediagnosticeerd. De Sarcina-bacteriën zorgen ervoor dat er gaatjes in de lebmaag ontstaan,  waardoor een buikvliesontsteking ontstaat. De aandoening was reeds bij kalveren bekend, maar was nog niet bij lammeren in Nederland gediagnosticeerd. De diagnose wordt gesteld aan de hand van het typische histologische beeld van ophoping van de bacteriën.


Foto 3: Sarcina-bcteriën in de lebmaag. Foto Willem Wouda, GD

Onthoornen van geitenlammeren
Bij de pathologie werden dit voorjaar enkele geitenlammeren aangeboden die gestorven waren tijdens het onthoornproces. In de gangbare melkgeitenhouderij worden vrijwel alle lammeren op een leeftijd van 2-3 weken onthoornd. De reden van de sterfte was: gebruik van de verkeerde dosering en de verkeerde keuze van anesthesiemiddelen, ook de toegepaste techniek bij het onthoornen bleek niet altijd te voldoen. Bij pathologisch onderzoek van dergelijke lammeren bleek dat de hersenen aanzienlijke schade hebben opgelopen tijdens het niet-correct uitgevoerde onthoornproces.