|
CL Caseous lymfadenitis (CL) is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. Nadat deze bacterie het lichaam is binnengedrongen vermenigvuldigen de bacteriën zich in de lymfklieren waarna abcessen kunnen ontstaan. Aangetaste dieren kunnen niet worden behandeld. Tot nu toe kwam in Nederland de ziekte vooral bij geiten voor. Bij schapen in Nederland komt CL tot nu toe maar zelden voor. De laatste jaren heeft GD een aantal keren gewaarschuwd alleen CL-vrije dieren te importeren. Het afgelopen half jaar zijn in totaal 55 schapen, waarvan maar 3 importdieren serologisch op CL onderzocht en daarbij werd geen CL aangetoond.
Chlamydophila abortus Ook in het eerste halfjaar van 2008 is de diagnose Chlamydophila abortus bij het schaap en geit een aantal keren gesteld. Op 5 bedrijven is bij postmortaal onderzoek bij 8 geiten Chlamydophila aangetoond. Ook is er Chlamydophila geconstateerd bij 6 schapen op 6 bedrijven. Toch lijkt de animo onder schapenen geitenhouders niet groot om deel te nemen aan een certificering op vrijwillige basis hoewel deze zoönose niet alleen voor behoorlijke bedrijfsschade kan zorgen maar ook imagoschade op kan leveren. Kennelijk is het bewustzijn van de risico’s nog gering. Ondanks bovenstaande overweegt GD in 2008 voor deze zoönoseverwekker een certificeringsprogramma te ontwikkelen en aan te bieden aan de schapen- en geitenhouderij.
Enterotoxaemie Enterotoxaemie (het bloed, weeldeziekte) wordt veroorzaakt door de toxinen van Clostridium perfringens. Op geitenbedrijven zag GD-Veekijker ook het afgelopen halfjaar net als andere jaren weer de meeste problemen na voerveranderingen of na het verstrekken van niet goed uitgebalanceerde rantsoenen. De verschijnselen deden zich vooral voor bij volwassen dieren. Op schapenbedrijven wordt de diagnose ook regelmatig gesteld. Niet alleen bij opgroeiende lammeren, maar ook bij volwassen ooien die in het voorjaar uitgeschaard worden op eiwitrijke percelen. Het betreft in het algemeen niet of niet goed gevaccineerde dieren. Ook bij sectie bleek enterotoxaemie het afgelopen halfjaar weer een belangrijke doodsoorzaak.
Leverbot De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ heeft eind november 2007 de definitieve prognose voor 2007/2008 uitgebracht. Daarin wordt melding gemaakt van veel acute leverbot en wordt aangegeven dat een redelijk ernstige besmetting wordt verwacht. Uit het uitgevoerde pathologisch onderzoek met een zeer hoog aantal secties met leverbot (zie Figuur 4.1) blijkt dat de voorspelling juist was. De leverbot infectie wordt veroorzaakt door de parasiet Fasciola hepatica en deze kan zich alleen handhaven in gebieden waar ook de tussengastheer – de leverbotslak – voorkomt. Het overleven van de leverbotslak wordt bepaald door de temperatuur en de neerslag. De ontwikkeling van leverbotei tot staartlarve in de slak duurt 9 tot 12 weken. De staartlarve verlaat de slak en zet zich als besmettelijke cyste af op het gras. De leverbotprognose stelt veehouders in staat om infecties te voorkomen en zo nodig gericht te behandelen. Op die manier wordt een bijdrage geleverd aan het beperken van de schade, het strategisch toepassen van medicijnen en daarmee aan de voedselveiligheid. De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ voorspelt de kans op een leverbotinfectie en adviseert om met preventieve maatregelen een leverbotbesmetting te voorkomen. Een van die preventieve maatregelen is het uitvoeren van een kartering van percelen op besmette bedrijven, zodat de gevaarlijke percelen in de vochtige perioden kunnen worden gemeden. De werkgroep draagt hierdoor bij aan beperking van het gebruik van diergeneesmiddelen. Veehouders kunnen op basis van deze prognose en na aanvullend onderzoek bewust kiezen voor het gebruik van leverbotmiddelen bij niet-melkgevende dieren, enkele weken na opstallen, en bij het droogzetten van melkkoeien. Door dit ‘strategisch behandelen’ verlagen veehouders het risico op residuen in voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Tot nu toe werd resistentie van de leverbot voor leverbotmiddelen alleen aangetoond in het gebied ten noorden van Amsterdam. In 2007 zijn er meerdere meldingen gekomen van mogelijke resistentie van de leverbot voor triclabendazole in Zuid-Holland. Op vijf bedrijven is dit duidelijk aangetoond. De uitbreiding van resistentie tegen triclabendazole zal het belang van het nemen van preventieve maatregelen tegen leverbot vergroten.

Figuur: Overzicht van het aantal schapensecties bij GD waarbij leverbot is geconstateerd.
In Figuur wordt getoond dat leverbot bijna in heel Nederland in meer of minder mate wordt geconstateerd. Steeds vaker wordt leverbot aangetoond op bedrijven waar in het verre verleden geen problemen met leverbot voorkwamen. Op deze bedrijven blijkt vaak de verhoging van de grondwaterstand de biotoop aantrekkelijker te hebben gemaakt voor de tussengastheer, de leverbotslak. Met de recent ontwikkelde tankmelktest kan eenvoudig en op een goedkope manier overzicht worden verkregen waar in Nederland leverbot voorkomt. Afgelopen winter is een tankmelkonderzoek uitgevoerd op 496 at random gekozen bedrijven in Nederland. De gevonden prevalentie leverbot in Nederland is 23 .8% (CI 95%: 20.1% – 27.8%).

Figuur Verspreiding leverbot per twee-cijferig postcodegebied in Nederland (rood = aangetoond, groen = niet aangetoond, grijs = geen waarnemingen)
Meer sterfte door de rode lebmaagworm (Haemonchus contortus) Dit jaar werd al heel vroeg in het jaar (begin april) sterfte bij volwassen schapen vastgesteld als gevolg van haemonchus (de rode lebmaagworm). Dit is ten opzichte van overige jaren om twee redenen opmerkelijk te noemen. Normaal gesproken zorgt deze rode lebmaagworm vooral in de maanden juli en augustus voor veel problemen en dan ook nog eens vooral bij lammeren. Haemonchose is een maagdarmwormbesmetting veroorzaakt door Haemonchus contortus ook wel de rode lebmaag worm genoemd. In tegenstelling tot bij de meeste worminfecties treedt bij haemonchose geen diarree op. De rode lebmaag worm zuigt bloed in de lebmaag waardoor bloedarmoede wordt veroorzaakt.

Foto1: Spierwitte slijmvliezen als gevolg van haemonchose
Naast het klinische beeld van ernstige bloedarmoede (soms spierwitte slijmvliezen) vindt er vaak oedeemvorming tussen de kaaktakken plaats, met als gevolg een dikke kop. Haemonchus contortus overwintert als geïnhibeerde larve in de lebmaagmucosa. Mogelijk dat de ernstige infectie van vorig jaar gezorgd heeft voor veel geïnhibeerde larven die pas in het late voorjaar bij sommige volwassen dieren op grote schaal zijn vrijgekomen. Normaal gesproken wordt sterfte door haemonchose waargenomen vanaf eind juli tot november. Haemonchus overwintert nauwelijks op de wei en moet de winter doorkomen als geïnhibeerde larve in de lebmaag om vervolgens in het voorjaar uit te groeien tot volwassen, eierenproducerende worm. Het overgrote deel van alle schapenhouders ontwormt de ooien rond het aflammeren. Het merendeel doet dit met een van de macrocyclisch lactonen (ivermectine/doramectine/moxidectine). In 2006 is door de Veekijker al eens resistentie tegen doramectine gevonden en gepubliceerd. Dit jaar zijn er aanwijzingen voor resistentie op meerdere bedrijven bij schapen tegen macrocyclisch lactonen. Mogelijk is een aantal van de haemonchosegevallen in april te herleiden naar bedrijven met resistentie waar de voorjaarsbehandeling van de ooien met een van de macrocyclisch lactonen niet succesvol is geweest. Kennis over de mate van voorkomen van resitentie tegen de beschikbare wormmiddelen in Nederland is dringend gewenst! GD-Veekijker heeft schapen- en geitenhouders geattendeerd op het besmettingsgevaar en schapenhouders is geadviseerd om hun lammeren maar ook volwassen dieren goed in de gaten te houden. Dieren die een te grote wormlast bij zich dragen krijgen geen diarree maar wel bleke oog- en mondslijmvliezen. Mestonderzoek kan in zulke gevallen de waarschijnlijkheidsdiagnose bevestigen.
Myiasis Via www.capraovis.nl zijn in 2008 maar weinig meldingen van myiasis binnengekomen op ‘Ziektesignalering’. Gezien het aantal vragen over myiasis tijdens de Veekijker lijkt het aantal meldingen bij “Ziektesignalering” te laag. Het lijkt er op dat er maar weinig schapenhouders bereid zijn hun collega’s te helpen met dit waarschuwingssysteem. De eerste meldingen dateren vanaf begin mei 2008. Myiasis is een vervelende huidaandoening die jaarlijks bij 2-5% van de schapen en lammeren in ons land voorkomt. Recent onderzoek laat zien dat de preventie van myiasis op veel punten tekort schiet. Via de website www.capraovis.nl worden achtergronden van deze aandoening en de preventieve mogelijkheden belicht.
Paratbc bij schapen en geiten Het Spaanse paratbc vaccin Gudair® is sinds april 2005 beschikbaar voor gebruik bij geiten. Hoewel de diagnose paratbc regelmatig wordt gesteld zijn er sinds de vorige rapportage geen opvallende nieuwe zaken met betrekking tot paratbc te melden. Alleen is er af en toe sprake van leveringsproblemen van het vaccin als gevolg van beperkte beschikbaarheid op de Europese markt. Hoewel in de rundveehouderij in toenemende mate belangstelling bestaat voor het aanpakken van deze aandoening zijn vanuit de melkgeitenhouderij geen signalen ontvangen dat het wenselijk zou zijn om deze ontwikkelingen te volgen. Nog steeds bestaat er onvoldoende inzicht in de relatie tussen schapen en rundvee met betrekking tot paratbc. Ook is als gevolg van het ontbreken van financiering het voorgestelde onderzoek naar de effectiviteit van Gudair® bij geiten ook in de eerste helft van 2008 niet gestart. Wel krijgen we nog steeds veel vragen vanuit de praktijk over het vaccin en hoe het toegepast zou moeten worden. Communicatie hierover blijft noodzakelijk.
Q-fever Q-fever of Q-koorts is een zoönose. Dat betekent dat de ziekte van dier op mens kan worden overgedragen. Q-fever wordt veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. De ziekte is het eerst beschreven bij slachthuismedewerkers in Queensland (Australië). De diagnose werd in Nederland tot 2007 bij mensen ongeveer 20 keer per jaar gesteld. Runderen, schapen en geiten kunnen de ziekte oplopen. Maar ook andere zoogdieren en vogels kunnen besmet raken.De aandoening verloopt bij dieren meestal symptoomloos, maar kan soms bij schapen en geiten abortus veroorzaken. Het is onduidelijk in welke mate klinische verschijnselen bij runderen optreden. Uitscheiding van de kiem vindt onder ander plaats met de nageboorte, het vruchtwater en via de melk. Runderen, schapen en geiten worden als belangrijkste infectiebron voor de mens beschouwd. Coxiella burnetii kan goed overleven buiten het dier. De kiem blijft na indrogen besmettelijk en kan zo bijvoorbeeld via inademen infecties veroorzaken. Ook wordt wel verondersteld dat teken een rol spelen bij de overdracht van Q-fever. Bewezen is dit echter niet. GD heeft in 2005 voor het eerst Q-fever gevonden bij geiten. Tijdens een onderzoek naar Chlamydophila abortus werd GD geconfronteerd met enkele geitenbedrijven met onverklaarbare abortusgevallen. Omdat de dieren in de Chlamydophila-testen niet reageerden, werd verder gezocht. Q-fever bleek de uiteindelijke oorzaak. Voor zover bekend was dit de eerste keer dat deze diagnose bij geiten in ons land is gesteld. In de eerste helft van 2008 zijn 6 nieuwe gevallen van Q-fever geconstateerd bij kleine herkauwers, 5 melkgeitenbedrijven en 1 melkschapenbedrijf (diagnose op basis van een positieve Q-fever IHC-test van de nageboorte).Q-fever is een beroepsrisico voor onder andere veehouders, dierenartsen, schaapscheerders en slachthuispersoneel. Ook kan de ziekte optreden bij mensen die sporadisch contact met geïnfecteerde dieren hebben. Mensen raken meestal besmet door het inademen van besmet stof. Besmetting direct van mens op mens komt waarschijnlijk niet voor. Net als bij dieren, verloopt een besmetting ook bij de mens vaak symptoomloos. Echter, in sommige gevallen kan de ziekte zich manifesteren als een ernstige griep met hoge koorts, hoofd- en spierpijn en misselijkheid. In zeldzame gevallen wordt de ziekte chronisch en kan dan gepaard gaan met onder andere long-, lever- en hartklepontstekingen. Q-fever was bij de mens al aangifteplichtig. In een humaan geval gaat de VWA volgens de voorschriften op zoek naar de besmettingsbron. Als de diagnose bij dieren werd gesteld, en er zijn in de omgeving van het besmette dier geen mensen ziek geworden, dan hoefde er geen aangifte te worden gedaan. Sinds 12 juni 2008 (net na de rapportage periode ) is daar verandering in gekomen als gevolg van het steeds stijgend aantal humane gevallen. Hieronder een kort overzicht van de nieuwe maatregelen:
- Q-fever is aangewezen als besmettelijke dierziekte. Houders van kleine herkauwers met melkschapen en /of melkgeiten zijn verplicht Q-koorts te melden.
- Het is op een besmet verklaard bedrijf verboden om gedurende negentig dagen mest uit de stal te verwijderen. De termijn begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de verdenking is ontstaan.
- Voor mensen die niet vanwege hun beroep of bedrijf de stal te betreden waar de van Q-fever verdachte dieren worden gehouden geldt een bezoekersverbod.
- De GD probeert met onderzoek beter inzicht te krijgen in de omvang van het probleem door prevalentie onderzoek bij schapen en geiten in Nederland en onderzoek op besmette bedrijven. Vanuit de reguliere bloedstroom zijn landelijk nu ongeveer 1500 geiten en schapen onderzocht. Daarbij zijn serologische prevalenties vastgesteld van ongeveer 15% bij geiten en 5-10% bij schapen).
- Er wordt bekeken of een nieuw vaccin ook in Nederland experimenteel kan worden toegepast. In 2007 is in ons land een sterke toename vastgesteld van het aantal gevallen van Q-fever bij de mens. In het eerste half jaar van 2008 is gebleken dat deze nieuwe trend zich heeft voortgezet met per 30 juni 2008 al 388 geregistreerde humane gevallen met name in het werkgebied van de GGD’s in Brabant en Gelderland. Betrokken organisaties (VWS, LNV, RIVM, GGD’s, GD) hebben een aantal keren overleg gevoerd over deze uitbraak en dit heeft geleid tot nader onderzoek waarbij onder meer de besmette geitenbedrijven zijn bezocht en vervolgonderzoek is ingezet bij mogelijke risicogroepen in het getroffen gebied. De begeleidingscommissies kleine herkauwers en rund zijn tussentijds op de hoogte gebracht van de situatie.

Figuur: Overzicht van het aantal gemelde Q koorts patiënten van 1-1-08 t/m 30-6-08 Zwoegerziekte/CAE Zwoegerziekte en CAE (caprine arthritis encefalitis) zijn zeer nauw verwante, persisterende virusinfecties bij respectievelijk schapen en geiten. Beide aandoeningen kenmerken zich door een langzaam voortschrijdend ziekteproces en sterfte. Sinds 1981 bestaat in ons land een georganiseerde bestrijding van deze aandoeningen op basis van serologisch onderzoek en bijna alle stamboekbedrijven zijn vrij van zwoegerziekte en CAE. Daarnaast is ook een beperkt aantal grote niet-stamboek schapenbedrijven en een klein deel van de melkgeitenbedrijven vrij van deze aandoeningen. Beide aandoeningen veroorzaken op besmette schapen- en geitenbedrijven zoveel economische schade dat het verbazingwekkend is dat niet meer schapen- en geitenhouders actie ondernemen om van deze aandoeningen af te komen. Wel is zichtbaar dat geitenhouders die op dit moment als nieuwe ondernemers toetreden tot de markt, bij de aanschaf van een nieuwe geitenstapel nadrukkelijk zoeken naar CLen CAE-vrije geiten. Gezondheidsparameters Rapportage Data Analyse Monitoring In 2007 is oriënterend een start gemaakt met data-analyse bij de monitoring bij kleine herkauwers. Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: 1. gegevens van Sonac; 2. gegevens van I&R-kleine herkauwers; deze gegevens zijn vrij beperkt zeker in vergelijking tot die in de rundveehouderij; 3. de gegevens van IDR, het computerprogramma voor individuele dierregistratie van kleine herkauwers die deelnemen aan gezondheidszorg- of kwaliteitsprogramma’s; op individueel dierniveau zijn gegevens per bedrijf vastgelegd. Ten aanzien van de gezondheidsparameter sterfte is een analyse gemaakt van de afgelopen jaren (zie Figuur)

Figuur Percentage schapensterfte
In de schapen- en geitenhouderij worden relatief weinig gegevens centraal vastgelegd. Dit maakt analyse van data minder eenvoudig. Bij de aanlevering van dode schapen en geiten aan Sonac wordt een onderscheid in leeftijd bij sterfte niet goed vastgelegd. Dit betekent niet dat analyse van data niet mogelijk is. Op basis van Figuur Percentage schapensterfte is een stijging af te leiden van het sterftepercentage van alle schapen in het afgelopen halfjaar en deze stijging is vooral in Zuid-Nederland duidelijk. Verdere analyse heeft uitgewezen dat naast haemonchose en leverbot vooral bluetongue hierbij een belangrijke rol speelt. Rapportage over het eerste halfjaar 2008 kan pas in de volgende halfjaarrapportage verwerkt worden in verband met de aanlevering van de data.
Gevoeligheid en resistentie voor antibiotica en anti-parasitaire middelen Anti-parasitaire middelen Maagdarmwormen Zoals elders in deze rapportage gemeld, is ook de eerste helft van 2008 wederom een halfjaar geweest van veel maagdarmwormproblemen bij schapen en lammeren (vooral ten gevolge van haemonchose, de rode lebmaagworm). Al in 2006 werd door GD-Veekijker het eerste geval gemeld van resistentie van de rode lebmaagworm voor doramectine (een wormmiddel uit groep 3) bij schapen. Uit meldingen van practici lijkt ook in de eerste helft van 2008 op schapenbedrijven sprake te zijn van resistentie voor wormmiddelen uit groep 3 (Avermectinen/Milbemycinen), hoewel dat vaak niet onomstotelijk bewezen is volgens de daarvoor geldende technieken op basis van de zogenaamde FECRtest (Faecal egg count reduction test) waarbij eitellingen voor en na behandeling met de verschillende groepen wormmiddelen met elkaar worden vergeleken afgezet tegen een onbehandelde controlegroep.
Antibiotica Indien bij het bacteriologisch-vervolgonderzoek een bacterie wordt gekweekt, wordt een gevoeligheidstest uitgevoerd om na te gaan voor welk antibioticum deze bacterie in vitro gevoelig is. Aan de hand hiervan kan een gerichte keus worden gemaakt en dit bevordert het doelgericht antibioticumgebruik. In bijlage V staat voor een aantal veel voorkomende bacteriën de resistentie weergegeven in percentages, ook in vergelijking met voorgaande jaren. Bij geringe aantallen isolaten mogen geen conclusies per halfjaar worden getrokken. Voor de meeste bacteriën is door de jaren heen een bestendig gevoeligheidspatroon te herkennen. De bacteriestammen zijn voor de meeste antibiotica gevoelig, met uitzondering van E.coli die ten opzichte van ampi/amoxicilline enige resistentie laat zien en van Mannheimia haemolytica en Pasteurella multocida die door de jaren heen een hoge mate van resistentie vertonen ten opzichte van lincomycine.
Resistentie bacteriën blijvend onderzocht Bij bacteriologisch onderzoek wordt een bacterie gekweekt en een gevoeligheidstest uitgevoerd om na te gaan voor welk antibioticum deze bacterie in-vitro gevoelig is. Aan de hand hiervan kan een gerichte keus worden gemaakt en dit bevordert het doelgericht antibioticumgebruik. Aan de hand van overzichten is over langere perioden de ontwikkeling van resistentie bij bacteriën te volgen. Dit is ook van belang omdat (resistente) bacteriën overgedragen kunnen worden op de mens en zodoende kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van resistentie van bacteriën bij de mens.
|