Trends

Chlamydophila abortus
Wederom is in 2010 Chlamydophila abortus bij schaap en geit een aantal keren aangetoond als veroorzaker van abortus. Er zijn problemen geweest met de beschikbaarheid van het chlamydophila-vaccin (OVILIS® ENZOVAX) in Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

CL
Caseous lymfadenitis (CL) is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. Nadat deze bacterie het lichaam is binnengedrongen vermenigvuldigen de bacteriën zich in de lymfklieren waarna abcessen kunnen ontstaan. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw kwam in Nederland de ziekte vooral bij geiten voor maar door inspanningen van met name de melkgeitenhouderij is de aandoening bij deze diersoort zo goed als verdwenen.
In het eerste halfjaar van 2010 werd op een Suffolkbedrijf bij schapen met bulten de ziekte CL aangetoond. Nader onderzoek wees een ernstige besmetting uit op een relatief groot fokbedrijf. De contactadressen van dit bedrijf zijn benaderd en de eigenaren is geadviseerd om dieren te testen en kritisch te kijken naar klinische verschijnselen van CL. In totaal is op 45 UBN’s van 490 dieren bloed onderzocht op afweerstoffen tegen CL. Op 11 UBN’s zijn in totaal 38 besmette schapen aangetroffen. Dit is aanleiding geweest voor het PVV om een plan van aanpak te ondersteunen voor de CL-problematiek in Nederland en op basis daarvan is in het tweede halfjaar van 2010 een vervolg gegeven aan deze aanpak. Een aantal bedrijven waar meerdere positieve dieren zijn gevonden, is bezocht. De bedrijven waar besmette dieren zijn gevonden is geadviseerd om 6 maanden na de eerste monstername, maar bij voorkeur voor het aflammeren, herhaald bloedonderzoek te laten verrichten. Door de bloedafname voor het aflammeren uit te voeren kunnen positieve dieren worden afgevoerd voordat ze de nieuwe lammeren zouden kunnen besmetten. Tijdens de bedrijfsbezoeken is gebleken dat de positief geteste dieren met name dieren waren die afkomstig waren van de bekend besmette bedrijven. Op één van de bezochte bedrijven testte een tweetal dieren positief en één dubieus. Later testte de rest van het koppel negatief en van de drie eerder geteste dieren waren er nu twee dubieus en één negatief. De positieve en dubieuze dieren waren reeds in 2004 geïmporteerd uit het Verenigd Koninkrijk en sindsdien aanwezig op het bezochte bedrijf. Bij klinische inspectie zijn geen uitwendige verschijnselen van CL waargenomen. Het is opvallend dat er geen verspreiding binnen het koppel heeft plaatsgevonden en op basis van de beschikbare informatie is de mogelijkheid van vaccinatie niet uit te sluiten. In Australië is een vaccin beschikbaar, maar dat vaccin is niet geregistreerd in het Verenigd Koninkrijk en ook niet in Nederland. Aangezien het geen “marker” vaccin betreft is er geen onderscheid mogelijk tussen gevaccineerde en geïnfecteerde dieren. Op grond hiervan worden de betreffende dieren als positief beschouwd. In 2011 zal het CL-probleem verder in kaart worden gebracht. Eind 2011 zal het project worden afgerond. Tot op heden hebben geen fokkers van andere schapenrassen melding gemaakt van symptomen die bij CL zouden kunnen passen. Het project beperkt zich zodoende tot het Suffolk Schapenstamboek Nederland (SSN).

Enterotoxaemie
Enterotoxaemie (het bloed, weeldeziekte) wordt veroorzaakt door de toxinen van Clostridium perfringens. Op geitenbedrijven zag GD-Veekijker ook het afgelopen halfjaar, net als andere jaren, weer de meeste problemen na voerveranderingen of na het verstrekken van niet goed uitgebalanseerde rantsoenen. De verschijnselen deden zich vooral voor bij volwassen geiten. In een koppel waar zich problemen voordoen, betreft het soms enkele dieren, maar de aandoening kan ook voorkomen als koppelprobleem. Meestal zijn de verschijnselen aspecifiek, zoals diarree en sterfte. Om tot een diagnose te komen is het belangrijk om sectie te laten verrichten op gestorven dieren.
Daarnaast is, net als in voorgaande jaren, een clostridium infectie een aantal malen vastgesteld in de baarmoeder van geiten die net hebben afgelammerd. Door nog onbekende oorzaak kan de bacterie zorgen voor een ernstige baarmoederontsteking. Dit is meerdere malen als koppelprobleem waargenomen met veel sterfte tot gevolg. Vaccinatie lijkt de ernst en het aantal problemen gunstig te beïnvloeden.
Op schapenbedrijven wordt de diagnose enterotoxiaemie ook regelmatig gesteld, niet alleen bij opgroeiende lammeren, maar ook incidenteel bij volwassen ooien. Het betreft in het algemeen niet of niet goed gevaccineerde dieren. Ook bij sectie bleek enterotoxaemie het afgelopen halfjaar weer de belangrijkste doodsoorzaak.

Leverbot
De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ heeft in november de definitieve prognose voor najaar en winter van 2010/2011 uitgebracht. In de prognose werd aangegeven dat er weinig leverbotproblemen werden verwacht. Bij de prognose werd voor het eerst in een kaartje aangegeven hoe groot de kans op een leverbotbesmetting was in welke gebieden van Nederland, op basis van 3-cijferige postcode.
                              
 
Figuur: Kans op leverbotbesmetting 2010/2011: Rood = gering tot matig; oranje = gering; geel = zeer gering

In de prognose is aangegeven dat in alle gebieden de mogelijkheid bestaat op een leverbotbesmetting als de dieren gelopen hebben in gebieden met kunstmatig verhoogde waterstanden.
Achteraf blijkt dat bij het onderzoek op de GD dat na de prognose heeft plaatsgevonden de meeste leverbotinfecties in afgelopen najaar en winter zijn aangetoond in de “rode”gebieden. Over het algemeen gaat het hier echter om lichte besmettingen met leverbot.
Ook het aantal dode schapen waar bij pathologisch onderzoek leverbot is geconstateerd, is duidelijk lager dan de voorgaande jaren.
Tot voor kort werd resistentie van de leverbot voor het leverbotmiddel triclabendazol alleen aangetoond in het gebied ten noorden van Amsterdam. Nadat in 2007 op meerdere bedrijven in Zuid-Holland resistentie van de leverbot voor triclabendazol werd aangetoond, is in 2009 en 2010 het aantal bedrijven met resistentie zowel ten noorden van Amsterdam als rondom Rotterdam uitgebreid. In 2010 is er ook resistentie voor triclabendazol geconstateerd in Noord-Friesland. Ook hier lijkt aanvoer van dieren uit de reeds bekende gebieden de oorzaak van de verspreiding. Door de zeer lage infectiegraad zijn er in de tweede helft van 2010 geen nieuwe meldingen van resistentie binnengekomen. De uitbreiding en verdere verspreiding van resistentie maakt het noodzakelijk om nog meer aandacht te besteden aan het nemen van preventieve maatregelen.

Haemonchose
Ook dit jaar bleek haemonchose weer voor sterfte onder schapen en lammeren te zorgen. Juli en augustus zijn van oudsher de maanden met de meeste problemen. In de afgelopen jaren trad haemonchose ook vroeger in het jaar op en sinds 2007 komen gevallen voor vanaf de maand april. In 2009 werd het seizoen ook naar achteren verlengd en kwamen klinische gevallen voor tot in november. In 2010 werd ook al vroeg in het voorjaar haemonchose aangetoond en de laatste klinische gevallen zijn nog in oktober geconstateerd.
Het blijft belangrijk om de ontwikkelingen rondom haemonchose in de gaten te houden. Er bestaat wijdverspreid resistentie van deze parasiet voor de gangbare ontwormingsmiddelen en klinische problemen komen sinds enkele jaren ook voor in andere dan de gangbare maanden juli en augustus. Ook elders worden vergelijkbare ontwikkelingen gezien en wordt de vraag gesteld of naast toegenomen resistentie voor de belangrijkste anthelmintica verandering van klimaat hier iets mee te maken heeft.
Bij veel maagdarmworminfecties is diarree één van de meest op de voorgrond tredende klinische verschijnselen. Bij haemonchose is dit niet het geval: als alleen sprake is van een besmetting met Haemonchus contortus is de mest van aangedane lammeren eerder aan de droge kant. De rode lebmaag worm zuigt bloed in de lebmaag waardoor bloedarmoede optreedt. Naast de ernstige bloedarmoede met soms papierwitte slijmvliezen ontstaat vaak oedeemvorming tussen de kaaktakken, met als gevolg een dikke kop.

Paratuberculose bij schapen en geiten
Hoewel de diagnose paratbc regelmatig wordt gesteld, is niet duidelijk op hoeveel procent van de melkgeiten- en melkschapenbedrijven paratuberculose een rol speelt. Ook is er onvoldoende inzicht in de relatie tussen schapen en runderen met betrekking tot paratuberculose. Jaarlijks wordt bij meerdere ter sectie aangeboden geiten de diagnose paratuberculose gesteld. Het vermoeden bestaat dat paratuberculose op een groot deel van de bedrijven voorkomt.
Het Spaanse paratbc vaccin Gudair® is sinds april 2005 beschikbaar voor gebruik bij geiten en wordt op veel bedrijven toegepast. We krijgen nog steeds veel vragen vanuit de praktijk over het vaccin en hoe het toegepast zou moeten worden. Communicatie hierover blijft noodzakelijk
De toegenomen belangstelling in de rundveehouderij voor deze aandoening heeft er toe geleid dat nu ook vanuit de geitensector een plan van aanpak is opgesteld om de aandoening te bestrijden. Het project zal in 2011 van start gaan. Er hebben zich een twintigtal bedrijven als potentiële deelnemer aangemeld.

Q-fever
Q-fever of Q-koorts is een zoönose veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. Deze ziekte is in 1933 voor het eerst vastgesteld bij slachthuismedewerkers in Queensland in Australië. In 1955 bleek deze aandoening voor te komen op alle vijf continenten en in 51 landen maar in Nieuw-Zeeland, Polen, de Scandinavische landen en Nederland waren tot dan geen gevallen bevestigd. Deze aandoening komt vooral voor bij rundvee, schapen, geiten en mensen. In 1978 werd in ons land Q-fever meldingsplichtig bij de mens. Tussen 1978 en 2006 werden jaarlijks gemiddeld 17 humane gevallen bevestigd en tussen 1994 en 2001 werden in totaal 49 personen opgenomen in het ziekenhuis.
Vanaf 2007 vond een toename plaats in het aantal geregistreerde Q-fever gevallen bij mensen. In 2007, 2008 en 2009 werden respectievelijk 194, 982 en 2313 gevallen vastgesteld. Een combinatie van maatregelen bij kleine herkauwers heeft geleid tot een duidelijke daling in het aantal humane gevallen in 2010.

Er is de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan om meer inzicht in de achtergronden van deze aandoening te krijgen: de seroprevalentie bij schapen en geiten in Nederland is vastgesteld, de effectiviteit van vaccinatie is gemeten, er is onderzoek gedaan naar bijwerkingen van het vaccin, onderzoek naar het effect van compostering van mest op overleving van C. burnetii is gestart en onderzocht is of na vaccinatie uitscheiding plaatsvindt van (DNA van) C. burnetii. Op 1 oktober 2009 is de verplichte tankmelkmonitoring gestart. Daarbij wordt van alle melkschapen- en melkgeitenbedrijven regelmatig een tankmelkmonster onderzocht op aanwezigheid van Coxiella burnetii met behulp van een PCR. Op 9 december 2009 namen de ministers van LNV en VWS het besluit om alle drachtige dieren op tankmelkpositieve bedrijven te ruimen en op 21 december 2009 startte nVWA met de ruimingen. In totaal zijn sinds de start 94 bedrijven besmet verklaard; meer dan 50.000 drachtige dieren zijn geruimd.  
Door gezamenlijke inspanning van nVWA, Faculteit Diergeneeskunde, CVI en GD is het gelukt om van een deel van de geruimde dieren monsters te verzamelen voor nader onderzoek. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat vaccinatie effectief is: vruchtwater, melk en vaginale swabs van gevaccineerde melkgeiten bevatten significant minder Coxiella burnetii dan dezelfde monsters afkomstig van niet-gevaccineerde melkgeiten.

In het voorjaar van 2010 bleek uit een kleinschalig onderzoek van het Jeroen Bosch Ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch dat melk van met Coxevac® gevaccineerde geiten tot een aantal dagen na vaccinatie positief kan zijn in een in dit ziekenhuis ontwikkelde PCR. Omdat de resulaten van dit onderzoek leidden tot de suggestie dat bedrijven na vaccinatie positief zouden kunnen worden in de tankmelkmonitoring, stopten melkgeitenhouders met vaccinatie. Daarop is op een viertal melkgeitenbedrijven een grootschalig onderzoek gestart. De resultaten van dit onderzoek hebben de bevindingen van het Jeroen Bosch Ziekenhuis niet bevestigd: na vaccinatie werden noch de individuele melkmonsters nog de frequent genomen tankmelkmonsters positief in de PCR die bij de tankmelkmonitoring wordt gebruikt.

Vanaf 1 juni 2010 is de afbouw van de Q-fever maatregelen begonnen. Voor bedrijven die nadien besmet zijn verklaard geldt geen levenslang fokverbod, mits de dieren tijdig zijn gevaccineerd en op deze bedrijven worden ook geen dieren geruimd. Daarnaast is per 15 juli het aanvoer- en fokverbod voor niet-besmette bedrijven opgeheven en is de tankmelkmonitoring voor vrije-bedrijven aangepast. Eind 2010 is de tankmelkmonitoring voor de vrije-bedrijven weer aangescherpt in verband met het nadere aflammerseizoen. Bovendien is het fokverbod voor jonge dieren op besmette bedrijven opgeheven. Toch  zijn in de tweede helft van 2010 op een melkschapenbedrijf na besmetverklaring alsnog drachtige schapen geruimd. Op dit bedrijf was het fokverbod niet gehandhaafd.