|
Chlamydophila abortus Wederom is in het eerste halfjaar van 2010 Chlamydophila abortus bij schaap en geit een aantal keren aangetoond als veroorzaker van abortus. Er zijn problemen geweest met de beschikbaarheid van het Chlamydophila-vaccin (OVILIS® ENZOVAX) in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Sinds begin 2010 is het vaccin weer beschikbaar maar dient door de dierenarts bij de groothandel in het Verenigd Koninkrijk besteld te worden. De animo onder schapen- en geitenhouders lijkt niet groot om deel te nemen aan een bestrijding of certificering op vrijwillige basis hoewel deze zoönose niet alleen voor behoorlijke bedrijfsschade kan zorgen maar ook imagoschade op kan leveren. Lang niet alle betrokkenen zijn zich bewust van de risico’s die besmetting met deze ziektekiem voor met name zwangere vrouwen oplevert. Zodoende zou een betere bewustwording wenselijk zijn. CL Caseous lymfadenitis (CL) is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. Nadat deze bacterie het lichaam is binnengedrongen vermenigvuldigen de bacteriën zich in de lymfklieren waarna abcessen kunnen ontstaan. Afgeraden wordt om aangetaste dieren te behandelen. Tot nu toe kwam in Nederland de ziekte vooral bij geiten voor. Bij schapen in Nederland komt CL tot nu toe maar zelden voor. De laatste jaren heeft de GD een aantal keren opgeroepen om alleen CL-vrije dieren te importeren. Het 2e halfjaar van 2009 zijn in totaal 33 schapen op CL onderzocht en daarbij zijn geen besmettingen met CL aangetoond. Bij drie importdieren die serologisch op CL zijn onderzocht werd geen CL aangetoond. In het eerste halfjaar van 2010 werd op een Suffolkbedrijf bij schapen met bulten de ziekte CL aangetoond. Nader onderzoek wees een ernstige besmetting uit op een relatief groot fokbedrijf. Inmiddels zijn de contactadressen van dit bedrijf benaderd en is geadviseerd om dieren te testen en kritisch te kijken naar klinische verschijnselen van CL. In totaal is op 45 UBN’s van 490 dieren bloed onderzocht op afweerstoffen tegen CL. Op 11 UBN’s zijn in totaal 38 besmette schapen aangetroffen. Dit is aanleiding geweest voor het PVV om een projectplan te ondersteunen om tot een plan van aanpak voor de CL-problematiek in Nederland te komen. In het tweede halfjaar van 2010 zal het plan van aanpak worden uitgevoerd en zal schapenhouders, die contact hebben gehad met risico- en/of geïmporteerde dieren, worden geadviseerd om hun dieren te laten onderzoeken op de aanwezigheid van de ziekte CL. Enterotoxaemie Enterotoxaemie (het bloed, weeldeziekte) wordt veroorzaakt door de toxinen van Clostridium perfringens. Op geitenbedrijven zag GD-Veekijker ook het afgelopen halfjaar, net als andere jaren, weer de meeste problemen na voerveranderingen of na het verstrekken van niet goed uitgebalanseerde rantsoenen. De verschijnselen deden zich vooral voor bij volwassen geiten. Tevens is de aandoening een aantal maal vastgesteld in de baarmoeder van geiten die net hebben afgelammerd. Mogelijk kan de bacterie aanslaan ten gevolge van ander onderliggend lijden en zo zorgen voor baarmoederontsteking. Dit is als koppelprobleem waargenomen met veel sterfte tot gevolg. Vaccinatie lijkt te volstaan om de problemen te voorkomen. Op schapenbedrijven wordt de diagnose enterotoxiaemie ook regelmatig gesteld, niet alleen bij opgroeiende lammeren, maar ook incidenteel bij volwassen ooien. Het betreft in het algemeen niet of niet goed gevaccineerde dieren. Ook bij sectie bleek enterotoxaemie het afgelopen halfjaar weer de belangrijkste doodsoorzaak. Leverbot De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ heeft in november de definitieve prognose voor najaar en winter van 2009 en 2010 uitgebracht. Daarin werd aangegeven dat er de afgelopen herfst hooguit een lichte infectie door de leverbotslak kan zijn afgezet. In de gebieden met een hoge waterstand (vochtig/nat milieu) blijft een leverbotinfectie altijd mogelijk, maar in het algemeen blijft de Werkgroep Leverbotprognose bij haar advies om schapen en runderen alleen na onderzoek te behandelen. Bij pathologisch onderzoek zijn duidelijk minder gevallen van leverbot (zie Figuur 4.1) vastgesteld dan de voorgaande jaren.  Figuur 4.1. Overzicht van het aantal schapensecties bij de GD waarbij leverbot is geconstateerd.
Tot voor kort werd resistentie van de leverbot voor het leverbotmiddel triclabendazole alleen aangetoond in het gebied ten noorden van Amsterdam. Nadat in 2007 op meerdere bedrijven in Zuid-Holland resistentie van de leverbot voor triclabendazole werd aangetoond, is in 2009 en 2010 het aantal bedrijven met leverbotresistentie zowel ten noorden van Amsterdam als rondom Rotterdam uitgebreid. Daarnaast waren er 3 meldingen van mogelijke leverbotresistentie buiten de bovengenoemde gebieden. Bij één van de meldingen bleek na onderzoek dat de dieren met resistentie tegen triclabendazol waren aangekocht uit het gebied ten noorden van Amsterdam. De uitbreiding en verdere verspreiding van leverbotresistentie maakt het noodzakelijk om nog meer aandacht te besteden aan het nemen van preventieve maatregelen.  Figuur 4.2. Verspreiding van leverbot in Nederland op basis van tankmelkonderzoek.
Leverbot is een parasiet die bijna in heel Nederland in meer of mindere mate kan voorkomen. Steeds vaker wordt leverbot aangetoond op bedrijven waar in het verre verleden geen problemen met leverbot voorkwamen. Op deze bedrijven blijkt vaak de verhoging van de grondwaterstand de biotoop aantrekkelijker te hebben gemaakt voor de tussengastheer, de leverbotslak. Door inzet van de tankmelktest, bloed- of mestonderzoek kan worden aangetoond waar in Nederland leverbot voorkomt (Figuur 4.2). Haemonchose Ook dit jaar bleek haemonchose weer voor sterfte onder schapen en lammeren te zorgen. Juli en augustus zijn van oudsher de maanden met de meeste problemen. In de afgelopen jaren trad haemonchose ook vroeger in het jaar op en sinds 2007 komen gevallen voor vanaf de maand april. In 2009 werd het seizoen ook naar achteren verlengd en kwamen klinische gevallen voor tot in november. Een mogelijke oorzaak hiervan is de hoge buitentemperaturen dit najaar. Ook in het voorjaar van 2010 werd al vroeg in het voorjaar sterfte ten gevolge van haemonchose aangetoond. Het blijft belangrijk om de ontwikkelingen rondom haemonchose in de gaten te blijven houden. Er bestaat wijdverspreid resistentie van deze parasiet voor de gangbare ontwormingsmiddelen en klinische problemen komen sinds enkele jaren ook voor in andere dan de gangbare maanden juli en augustus. Ook elders worden vergelijkbare ontwikkelingen gezien en wordt de vraag gesteld of naast toegenomen resistentie voor de belangrijkste anthelmintica verandering van klimaat hier iets mee te maken heeft. Bij veel maagdarmworminfecties is diarree een van de meest op de voorgrond tredende klinische verschijnselen. Bij haemonchose is dit niet het geval: als alleen sprake is van een besmetting met Haemonchus contortus is de mest van aangedane lammeren eerder aan de droge kant. De rode lebmaag worm zuigt bloed in de lebmaag waardoor bloedarmoede optreedt. Naast de ernstige bloedarmoede met soms papierwitte slijmvliezen ontstaat vaak oedeemvorming tussen de kaaktakken, met als gevolg een dikke kop. Normaal gesproken wordt sterfte door haemonchose vooral waargenomen in de maanden juli en augustus maar sinds enkele jaren wordt het ook waargenomen over een langere periode. Paratuberculose bij schapen en geiten Hoewel de diagnose paratbc regelmatig wordt gesteld, is niet duidelijk op hoeveel procent van de melkgeiten- en melkschapenbedrijven paratuberculose een rol speelt. Ook is er onvoldoende inzicht in de relatie tussen schapen en runderen met betrekking tot paratuberculose. Jaarlijks wordt bij meerdere ter sectie aangeboden geiten de diagnose paratuberculose gesteld. Het vermoeden bestaat dat paratuberculose op een groot deel van de bedrijven voorkomt. Het Spaanse paratbc vaccin Gudair® is sinds april 2005 beschikbaar voor gebruik bij geiten en wordt op veel bedrijven toegepast. We krijgen nog steeds veel vragen vanuit de praktijk over het vaccin en hoe het toegepast zou moeten worden. Communicatie hierover blijft noodzakelijk De toegenomen belangstelling in de rundveehouderij heeft er toe geleid dat nu ook vanuit de geitensector een plan van aanpak gaat worden opgesteld om de aandoening te bestrijden. In het tweede halfjaar van 2010 zal dit plan meer vorm gaan krijgen. Q-fever Q-fever of Q-koorts is een zoönose veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. In 1978 werd in ons land Q-fever meldingsplichtig bij de mens. Tussen 1978 en 2006 werden jaarlijks gemiddeld 17 humane gevallen bevestigd en tussen 1994 en 2001 werden in totaal 49 personen opgenomen in het ziekenhuis. Vanaf 2007 vond een toename plaats in het aantal geregistreerde Q-fever gevallen bij mensen. In 2007, 2008 en 2009 werden respectievelijk 168, 1000 en 2358 gevallen vastgesteld. In 2010 zijn halverwege het jaar ongeveer 300 humane patiënten gemeld met een eerste ziektedag in 2010. De GD heeft in 2005 voor het eerst Coxiella burnetii gevonden als oorzaak van abortus bij geiten. Voor zover bekend was dit de eerste keer dat deze diagnose bij geiten in ons land werd gesteld. In 2005 werd een tweede geval gevonden en in de jaren daarna ging het achtereenvolgens om zes melkgeitenbedrijven en 1 melkschapenbedrijf in 2006, zeven melkgeitenbedrijven in 2007 en één melkschapenbedrijf en zeven melkgeitenbedrijven op acht UBN’s in 2008. In 2009 werd de diagnose op vijf nieuwe melkgeitenbedrijven gesteld en op één melkgeitenbedrijf dat ook in 2006 een abortusuitbraak als gevolg van Q-fever had meegemaakt. Naast het bestaande meldcriterium op basis van abortus is in de tweede helft van 2009 tankmelkonderzoek gestart waarbij aanwezigheid van Coxiella burnetii met behulp van een Q-fever PCR wordt aangetoond. Op 1 oktober werd de deelname aan de verplichte tankmelkmonitoring een feit. Op 9 december 2009 namen de ministers van LNV en VWS het besluit om alle drachtige dieren op besmette bedrijven te ruimen. In de brief die beide minister op 16 december naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal stuurden bleek dat geen onderscheid zou worden gemaakt tussen besmette en niet-besmette dieren. Op 21 december 2009 startte VWA met het ruimen van de eerste drachtige dieren op besmette bedrijven. In totaal zijn in 2009/2010 ongeveer 50.000 drachtige dieren op 87 melkgeiten- en op 2 melkschapenbedrijven geruimd. Vanaf 1 juni is de afbouw van de maatregelen van Q-fever begonnen. Voor bedrijven die na 1 juni 2010 besmet verklaard zijn geldt geen levenslang fokverbod, mits de dieren tijdig zijn gevaccineerd en op deze bedrijven zullen ook geen dieren worden geruimd. Daarnaast is per 15 juli het aanvoer- en fokverbod voor niet-besmette bedrijven opgeheven en is de tankmelkmonitoring voor vrije-bedrijven aangepast. De periode waarin houders van vleesschapen op bedrijven met meer dan 50 dieren verplicht waren om hun dieren te laten vaccineren tegen Q-fever is verlengd tot 1 augustus 2011. Er is in 2009 en 2010 veel onderzoek gedaan om meer inzicht in de achtergronden van deze aandoening te krijgen. Uit onderzoek naar de bijwerkingen van het vaccin Coxevac® bleek dat er sprake was van een tijdelijke productiedaling, de dieren hadden gedurende ongeveer een dag een verhoogde temperatuur en bovendien werd er melding gemaakt van dieren die zichzelf hadden drooggezet. Echter, dezelfde bijwerkingen werden ook waargenomen in een periode van hittestress. Uit het onderzoek naar het voorkomen van Coxiella burnetii in geruimde dieren bleek dat de prevalentie in gevaccineerde dieren aanzienlijk lager was dan in niet-gevaccineerde dieren. De resultaten daarvan worden in de loop van 2010 officieel gepubliceerd. Gevoeligheid en resistentie voor antibiotica en anti-parasitaire middelen Anti-parasitaire middelen Maagdarmwormen Zoals elders in deze rapportage gemeld, zijn werderom in het voorjaar van 2010 weer maagdarmwormproblemen bij schapen en lammeren vastgesteld, onder andere ten gevolge van haemonchose. Al in 2006 meldde GD-Veekijker het eerste geval van resistentie van de rode lebmaagworm (Haemonchus contortus) bij schapen voor doramectine, een wormmiddel uit groep 3. Sindsdien lijkt, op basis van meldingen van practici en schapenhouders, vaker sprake van resistentie voor de wormmiddelen uit deze groep (avermectinen/milbemycinen), hoewel dat vaak niet onomstotelijk bewezen is volgens de daarvoor geldende technieken op basis van de zogenaamde FECR-test (faecal egg count reduction test) waarbij eitellingen voor en na behandeling met middelen uit de verschillende groepen wormmiddelen met elkaar worden vergeleken, afgezet tegen een onbehandelde controlegroep. Hoopgevend is de recente lancering van een nieuw ontwormingsmiddel met monepantel als werkzame stof. Dit middel werkt tegen nematoden (rondwormen) en zou ook werkzaam zijn tegen avermectine-resistente rondwormen. Het middel is nog niet beschikbaar voor de Europese markt en het is ook nog niet duidelijk wanneer de registratie van het middel rond zal zijn. Daarnaast is er ook weer een nieuw combinatiepreparaat op de markt gekomen. Dit middel zou zowel tegen rondwormen als leverbot werkzaam zijn. Het nut van combinatiepreparaten is omstreden, aangezien het maar zelden noodzakelijk is om tegen zowel rondwormen als leverbot tegelijk een behandeling in te stellen. Leverbot Zoals eerder in deze rapportage vermeld werd resistentie van de leverbot voor leverbotmiddelen eerder alleen aangetoond in het gebied ten noorden van Amsterdam. Nadat er in 2007 op enkele bedrijven resistentie van de leverbot voor triclabendazole in Zuid-Holland is aangetoond, blijkt het aantal bedrijven met leverbotresistentie zowel ten noorden van Amsterdam als rondom Rotterdam zich uit te breiden. Hoewel door de lage leverbotbesmetting in 2009 weinig nieuwe meldingen voor resistentie zijn binnengekomen, zijn er drie opmerkelijke meldingen van resistentie tegen triclabendazol in het noorden van Friesland, Twente en op de Utrechtse heuvelrug. Op het laatste bedrijf betrof het aankoop van dieren uit het gebied ten noorden van Amsterdam. Op de overige twee bedrijven wordt verder onderzoek uitgevoerd. Antibiotica Indien bij het bacteriologisch-vervolgonderzoek een bacterie wordt gekweekt, wordt een gevoeligheidstest uitgevoerd om na te gaan voor welk antibioticum deze bacterie in vitro gevoelig is. Aan de hand hiervan kan een gerichte keus worden gemaakt en dit bevordert het doelgericht antibioticumgebruik. In bijlage V staat voor een aantal veel voorkomende bacteriën de resistentie weergegeven in percentages, ook in vergelijking met voorgaande jaren. Bij geringe aantallen isolaten mogen geen conclusies per halfjaar worden getrokken. Voor de meeste bacteriën is door de jaren heen een bestendig gevoeligheidspatroon te herkennen. De bacteriestammen zijn voor de meeste antibiotica gevoelig, met uitzondering van E. coli die ten opzichte van ampi-/amoxicilline en trimetroprim sulfamethoxale enige resistentie laat zien en van Listeria lijkt de een eerste indicatie van resistentie ten opzichte van ceftiofur/cefquinome te vertonen. Resistentie bacteriën blijvend onderzocht Bij bacteriologisch onderzoek wordt een bacterie gekweekt en een gevoeligheidstest uitgevoerd om na te gaan voor welk antibioticum deze bacterie in-vitro gevoelig is. Aan de hand hiervan kan een gerichte keus worden gemaakt en dit bevordert het doelgericht antibioticumgebruik. Aan de hand van overzichten is over langere perioden de ontwikkeling van resistentie bij bacteriën te volgen. Dit is ook van belang omdat (resistente) bacteriën overgedragen kunnen worden op de mens en zodoende kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van resistentie van bacteriën bij de mens.
|