Trends

CL
Caseous lymfadenitis (CL) is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. Nadat deze bacterie het lichaam is binnengedrongen vermenigvuldigen de bacteriën zich in de lymfklieren waarna abcessen kunnen ontstaan. Aangetaste dieren kunnen niet worden behandeld. Tot nu toe kwam in Nederland de ziekte vooral bij geiten voor. Bij schapen in Nederland komt CL tot nu toe maar zelden voor. De laatste jaren heeft de GD een aantal keren gewaarschuwd alleen CL-vrije dieren te importeren. Het afgelopen halfjaar zijn in totaal 25 schapen op CL onderzocht, waarbij bij één ooi CL is aangetoond. Dit CL positieve dier werd aangetoond op een bedrijf waar eerder bij importdieren CL is aangetoond. Bij twee importdieren die serologisch op CL zijn onderzocht werd geen CL aangetoond.

Chlamydophila abortus

Ook in het tweede halfjaar van 2008 is Chlamydophila abortus bij schaap en geit een aantal keren aangetoond als veroorzaker van abortus. Op drie bedrijven is bij postmortaal onderzoek bij vier geiten Chlamydophila abortus aangetoond. Ook is deze diagnose gesteld bij twee schapen op één bedrijf. Daarnaast is bij bloedonderzoek van in totaal 22 monsters bij twee schapen en bij twee geiten Chlamydophila abortus aangetoond. De animo onder schapen- en geitenhouders lijkt niet groot om deel te nemen aan een bestrijding of certificering op vrijwillige basis hoewel deze zoönose niet alleen voor behoorlijke bedrijfsschade kan zorgen maar ook imagoschade op kan leveren. Lang niet alle betrokkenen zijn zich bewustzijn van de risico’s die besmetting met deze ziektekiem oplevert.

Enterotoxaemie
Enterotoxaemie (het bloed, weeldeziekte) wordt veroorzaakt door de toxinen van Clostridium perfringens. Op geitenbedrijven zag de GD-Veekijker ook het afgelopen halfjaar, net als andere jaren, weer de meeste problemen na voerveranderingen of na het verstrekken van niet goed uitgebalanseerde rantsoenen. De verschijnselen deden zich vooral voor bij volwassen geiten. Op schapenbedrijven wordt de diagnose ook regelmatig gesteld, niet alleen bij opgroeiende lammeren, maar ook incidenteel bij volwassen ooien. Het betreft in het algemeen niet of niet goed gevaccineerde dieren. Ook bij sectie bleek enterotoxaemie het afgelopen halfjaar weer een belangrijke doodsoorzaak.

Leverbot
De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ heeft in november de definitieve prognose voor 2008 uitgebracht. Daarin wordt aangegeven dat in dezelfde gebieden als vorig jaar een leverbotbesmetting mag worden verwacht. De verwachting is dat in 2008 minder problemen voor zullen komen dan in 2007. Tot nu toe zijn bij pathologisch onderzoek minder secties met leverbot gevonden dan vorig jaar. De leverbotinfectie wordt veroorzaakt door de parasiet Fasciola hepatica en deze kan zich alleen handhaven in gebieden waar ook de tussengastheer – de leverbotslak – voorkomt. Het overleven van de leverbotslak wordt bepaald door
de temperatuur en de neerslag. De ontwikkeling van leverbotei tot staartlarve in de slak duurt 9 tot 12 weken. De staartlarve verlaat de slak en zet zich als besmettelijke cyste af op het gras. De leverbotprognose stelt veehouders in staat om infecties te voorkomen en zo nodig gericht te behandelen. Op die manier wordt een bijdrage geleverd aan het beperken van de schade, het strategisch toepassen van medicijnen en daarmee aan de voedselveiligheid. De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ voorspelt de kans op een leverbotinfectie en adviseert om met preventieve maatregelen een leverbotbesmetting te
voorkomen. Een van die preventieve maatregelen is het uitvoeren van een kartering van percelen op besmette bedrijven, zodat de gevaarlijke percelen in de vochtige perioden kunnen worden gemeden. De werkgroep draagt hierdoor bij aan beperking van het gebruik van diergeneesmiddelen. Veehouders kunnen op basis van deze prognose en na aanvullend onderzoek bewust kiezen voor het gebruik van leverbotmiddelen bij niet-melkgevende dieren, enkele weken na opstallen, en bij het droogzetten van melkkoeien. Door dit ‘strategisch behandelen’ verlagen veehouders het risico op residuen in voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Tot nu toe werd resistentie van de leverbot voor leverbotmiddelen alleen aangetoond in het gebied ten noorden van Amsterdam. Nadat in 2007 op meerdere bedrijven resistentie van de leverbot voor triclabendazole werd aangetoond in Zuid-Holland, is in 2008 het aantal bedrijven met leverbotresistentie zowel ten noorden van Amsterdam als rondom Rotterdam uitgebreid. Deze uitbreiding van resistentie maakt het noodzakelijk om nog meer aandacht te besteden aan het nemen van preventieve maatregelen. Steeds vaker wordt leverbot aangetoond op bedrijven waar in het verre verleden geen problemen met leverbot voorkwamen. Op deze bedrijven blijkt vaak de verhoging van de grondwaterstand de biotoop aantrekkelijker te hebben gemaakt voor de tussengastheer, de leverbotslak. Recent is een tankmelktest ontwikkeld waarmee een leverbotbesmetting eenvoudig en op een goedkope manier kan worden aangetoond. Door inzet van deze tankmelktest, bloed- of mestonderzoek kan worden aangetoond waar in Nederland leverbot voorkomt.
Uit een overzicht van alle bedrijven waar vanaf 2000 leverbot is geconstateerd blijkt dat leverbot in bijna heel Nederland kan voorkomen. In 2008 veel sterfte door de rode lebmaagworm, Haemonchus contortusIn 2008 werd al begin april sterfte bij volwassen schapen vastgesteld als gevolg van een besmetting met Haemonchus contortus, de rode lebmaagworm. Dit is ten opzichte van eerdere jaren om twee redenen opmerkelijk te noemen. Normaal gesproken zorgt deze parasiet vooral in de maande in juli en augustus voor veel problemen vooral bij lammeren. In tegenstelling tot bij de meeste worminfecties treedt bij haemonchose geen diarree op. De rode lebmaag worm zuigt bloed in de lebmaag waardoor bloedarmoede wordt veroorzaakt (Foto).


Foto: Spierwitte slijmvliezen als gevolg van haemonchose

Naast het klinisch beeld van ernstige bloedarmoede met soms papierwitte slijmvliezen vindt er vaak oedeemvorming tussen de kaaktakken plaats, met als gevolg een dikke kop. Haemonchus contortus overwintert als geïnhibeerde larve in de lebmaagmucosa. Mogelijk dat de ernstige infectie van 2007 heeft gezorgd voor veel geïnhibeerde larven die pas in het late voorjaar bij sommige volwassen dieren op grote schaal zijn vrijgekomen. Normaal gesproken wordt sterfte door haemonchose vooral waargenomen in juli en augustus maar het kan plaatsvinden over een langere periode. Haemonchus overwintert nauwelijks op
de wei en moet de winter doorkomen als geïnhibeerde larve in de lebmaag om vervolgens in het voorjaar uit te groeien tot volwassen, eieren producerende worm. Het overgrote deel van alle schapenhouders ontwormt de ooien rond het aflammeren. Het merendeel doet dit met een van de macrocyclisch lactonen
(ivermectine/doramectine/moxidectine). In 2006 is door de GD-Veekijker resistentie tegen doramectine vastgesteld en dit gegeven is ook gepubliceerd. Dit jaar zijn er aanwijzingen voor resistentie op meerdere schapenbedrijven tegen macrocyclisch lactonen. Nader onderzoek zal moeten aantonen of resistentie
een rol speelt bij de vanaf april vastgestelde gevallen van haemonchose. Opnieuw is in 2008 vastgesteld dat kennis over maagdarmwormen en de bestrijding daarvan bij schapenhouders tekort schiet. Daarnaast ontbreekt in ons land kennis over de mate van voorkomen van resistentie van de verschillende wormsoorten voor de beschikbare wormmiddelen.

Myiasis
Via www.capraovis.nl zijn in 2008 maar weinig meldingen van myiasis binnengekomen op  Ziektesignalering’. Op basis van het aantal telefoontjes richting de GD-Veekijker lijkt het aantal meldingen bij “Ziektesignalering” te laag. Misschien zijn onvoldoende schapenhouders bekend met dit waarschuwingssysteem voor myiasis. De eerste meldingen in 2008 kwamen begin mei binnen en de laatste in augustus 2008. Myiasis is een vervelende huidaandoening die jaarlijks bij 2-5% van de schapen
en lammeren in ons land voorkomt. Recent onderzoek laat zien dat de preventie van myiasis op veel punten tekort schiet. Via de website www.capraovis.nl worden achtergronden van deze aandoening en de preventieve mogelijkheden belicht.

Paratbc bij schapen en geiten
Het Spaanse paratbc vaccin Gudair® is sinds april 2005 beschikbaar voor gebruik bij geiten. Hoewel de diagnose paratbc regelmatig wordt gesteld zijn er sinds de vorige rapportage geen opvallende nieuwe zaken met betrekking tot paratbc te melden. Alleen is er af en toe sprake van leveringsproblemen van het
vaccin als gevolg van beperkte beschikbaarheid op de Europese markt. Hoewel in de rundveehouderij in toenemende mate belangstelling bestaat voor het aanpakken van deze aandoening, zijn vanuit de melkgeitenhouderij geen signalen ontvangen dat het wenselijk zou zijn om deze ontwikkelingen te volgen.
Nog steeds bestaat er onvoldoende inzicht in de relatie tussen schapen en rundvee met betrekking tot paratbc. Ook is, als gevolg van het ontbreken van financiering het voorgestelde onderzoek naar de effectiviteit van Gudair® bij geiten ook in de tweede helft van 2008 niet gestart. Wel krijgen we nog steeds
veel vragen vanuit de praktijk over het vaccin en hoe het toegepast zou moeten worden. Communicatie hierover blijft noodzakelijk.

Q-fever
Q-fever of Q-koorts is een zoönose veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. Deze ziekte is in 1935 voor het eerst beschreven bij slachthuismedewerkers in Queensland in Australië. De diagnose werd in
Nederland tot 2007 bij mensen vijf tot twintig keer per jaar gesteld. In de jaren daarna heeft een enorme toename in het aantal geregistreerde Q-fever gevallen bij mensen plaatsgevonden tot 1.000 gevallen in 2008. Runderen, schapen en geiten kunnen de ziekte oplopen maar ook andere zoogdieren en vogels kunnen besmet raken. De aandoening verloopt bij dieren meestal symptoomloos, maar kan soms bij schapen en geiten abortus veroorzaken. Het is onduidelijk in welke mate klinische verschijnselen bij runderen optreden. Uitscheiding van de kiem vindt onder ander plaats met de nageboorte, het vruchtwater en via de melk. Runderen, schapen en geiten worden als belangrijkste infectiebron voor de mens
beschouwd. Coxiella burnetii kan goed overleven buiten het dier. De kiem blijft na indrogen besmettelijk en kan zo bijvoorbeeld via inademen infecties veroorzaken. Ook teken kunnen een rol spelen bij de overdracht van Q-fever, maar het belang van deze infectieroute is in Nederland niet duidelijk. De GD heeft in 2005 voor het eerst Coxiella burnetii gevonden als oorzaak van abortus bij geiten. Voor zover bekend was dit de eerste keer dat deze diagnose bij geiten in ons land werd gesteld. In 2005 werd een tweede geval gevonden en in de jaren daarna ging het achtereenvolgens om zes melkgeitenbedrijven en 1 melkschapenbedrijf in 2006, zeven melkgeitenbedrijven in 2007 en één melkschapenbedrijf en zeven
melkgeitenbedrijven op acht UBN’s in 2008. Q-fever was voorheen vooral een beroepsrisico voor onder andere veehouders, dierenartsen, schaapscheerders, slachthuis- en laboratoriumpersoneel. De ziekte
kan ook optreden bij mensen die sporadisch contact met geïnfecteerde dieren hebben. Mensen raken meestal besmet door het inademen van besmet stof. Besmetting direct van mens op mens komt  waarschijnlijk niet voor. Net als bij dieren, verloopt een besmetting ook bij de mens vaak symptoomloos. Echter, in sommige gevallen kan de ziekte zich manifesteren als een ernstige griep met hoge koorts, hoofd- en spierpijn en misselijkheid. In zeldzame gevallen wordt de ziekte chronisch en kan dan gepaard gaan met onder andere long-, lever- en hartklepontstekingen. Q-fever is bij de mens meldingsplichtig en als zich een geval bij de mens voordoet gaat de VWA volgens de voorschriften op zoek naar de besmettingsbron. Bij dieren bestond geen meldingsplicht maar sinds 12 juni 2008 is Q-fever ook meldingsplichtig voor melkgeiten- en melkschapenbedrijven met een abortusprobleem. Op besmette bedrijven gelden aanvullende beperkingen voor het uitrijden van mest en bezoekers mogen niet in de stal
worden toegelaten. Daarnaast hebben grote melkgeiten- en melkschapenbedrijven in een gebied met een straal van 45 km rond Uden sinds maandag 20 oktober 2008 de mogelijkheid gekregen hun dieren tegen Q-fever te laten vaccineren met het niet geregistreerde vaccin Coxevac®. Vanaf 3 november was het vaccin ook beschikbaar voor kleinere bedrijven. Er waren 80.000 doses vaccin beschikbaar en omdat elk dier twee keer moest worden gevaccineerd konden maximaal 40.000 dieren worden gevaccineerd.
Inmiddels is onderzoek gestart om meer inzicht in de achtergronden van deze aandoening te krijgen. De eerste resultaten daarvan worden begin 2009 gepubliceerd.

Zwoegerziekte/CAE
Zwoegerziekte en CAE (caprine arthritis encefalitis) zijn zeer nauw verwante, persisterende virusinfecties bij respectievelijk schapen en geiten. Beide aandoeningen kenmerken zich door een langzaam voortschrijdend ziekteproces en sterfte. Sinds 1981 bestaat in ons land een georganiseerde bestrijding van deze aandoeningen op basis van serologisch onderzoek en bijna alle stamboekbedrijven zijn vrij van zwoegerziekte en CAE. Daarnaast is ook een beperkt aantal grote niet-stamboek schapenbedrijven en een klein deel van de melkgeitenbedrijven vrij van deze aandoeningen. Beide aandoeningen veroorzaken op besmette schapen- en geitenbedrijven zoveel economische schade dat het verbazingwekkend is dat niet meer schapen- en geitenhouders actie ondernemen om van deze aandoeningen af te komen. Wel is zichtbaar dat geitenhouders die op dit moment als nieuwe ondernemers toetreden tot de markt, bij de aanschaf van een nieuwe geitenstapel nadrukkelijk zoeken naar CLen CAE-vrije geiten.

Gezondheidsparameters
Rapportage Data Analyse Monitoring
De GD heeft in 2007 voor het eerst een analyse uitgevoerd van de data van kleine herkauwers die in verschillende bestanden beschikbaar zijn. De uitkomsten daarvan zijn gerapporteerd en op basis daarvan hebben eerst de leden van de Begeleidingscommissie Monitoring Dierziekten Kleine Herkauwers
en later overheid en bedrijfsleven aangegeven dat ook voor de jaren daarna een vergelijkbare analyse zinvol is. De analyse over 2008 wordt later in 2009 uitgevoerd en gerapporteerd.

Gevoeligheid en resistentie voor antibiotica en anti-parasitaire middelen
Anti-parasitaire middelen
Maagdarmwormen
Zoals elders in deze rapportage gemeld, is ook de tweede helft van 2008 wederom een halfjaar geweest met veel maagdarmwormproblemen bij schapen en lammeren, vooral ten gevolge van haemonchose. Al in 2006 werd door de GD-Veekijker het eerste geval gemeld van resistentie van de rode lebmaagworm
bij schapen voor doramectine (een wormmiddel uit groep 3). Uit meldingen van practici lijkt ook in de tweede helft van 2008 op schapenbedrijven sprake te zijn van resistentie voor wormmiddelen uit groep 3
(Avermectinen/Milbemycinen), hoewel dat vaak niet onomstotelijk bewezen is volgens de daarvoor geldende technieken op basis van de zogenaamde FECRtest (Faecal Egg Count Reduction test) waarbij eitellingen voor en na behandeling met de verschillende groepen wormmiddelen met elkaar worden
vergeleken, afgezet tegen een onbehandelde controlegroep.

Leverbot
Zoals eerder in deze rapportage vermeld, werd resistentie van de leverbot voor leverbotmiddelen eerder alleen aangetoond in het gebied ten noorden van Amsterdam. Nadat er in 2007 op enkele bedrijven resistentie van de leverbot voor triclabendazole in Zuid-Holland is aangetoond, blijkt in 2008 het aantal
bedrijven met leverbotresistentie zowel ten noorden van Amsterdam als rondom Rotterdam zich uit te breiden.

Antibiotica

Indien bij het bacteriologisch-vervolgonderzoek een bacterie wordt gekweekt, wordt een gevoeligheidstest uitgevoerd om na te gaan voor welk antibioticum deze bacterie in vitro gevoelig is. Aan de hand hiervan kan een gerichte keus worden gemaakt en dit bevordert het doelgericht antibioticumgebruik. In bijlage V staat voor een aantal veel voorkomende bacteriën de resistentie weergegeven in percentages, ook in vergelijking met voorgaande jaren. Bij geringe aantallen isolaten mogen geen conclusies per halfjaar worden getrokken. Voor de meeste bacteriën is door de jaren heen een bestendig gevoeligheidspatroon te herkennen. De bacteriestammen zijn voor de meeste antibiotica gevoelig, met uitzondering van E.coli die ten opzichte van ampi/amoxicilline enige resistentie laat zien en van Mannheimia haemolytica en Pasteurella multocida die door de jaren heen een hoge mate van resistentie vertonen ten opzichte van lincomycine. Resistentie bacteriën blijvend onderzocht Bij bacteriologisch onderzoek wordt een bacterie gekweekt en een gevoeligheidstest uitgevoerd om na te gaan voor welk antibioticum deze bacterie in-vitro gevoelig is. Aan de hand hiervan kan een gerichte keus worden gemaakt en dit bevordert het doelgericht antibioticumgebruik. Aan de hand van overzichten is over langere perioden de ontwikkeling van resistentie bij bacteriën te volgen. Dit is ook van belang omdat (resistente) bacteriën overgedragen kunnen worden op de mens en zodoende kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van resistentie van bacteriën bij de mens.