Trends

CL
Caseous lymfadenitis (CL) is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. Nadat deze bacterie het lichaam is binnengedrongen vermenigvuldigen de bacteriën zich in de lymfklieren waarna abcessen kunnen ontstaan. Aangetaste dieren kunnen niet worden behandeld. Tot nu toe kwam in Nederland de ziekte vooral bij geiten voor. Bij schapen in Nederland komt CL tot nu toe maar zelden voor. De laatste jaren heeft GD een aantal keren opgeroepen om alleen CL-vrije dieren te importeren. Het afgelopen halfjaar zijn in totaal 92 schapen op CL onderzocht, waarbij bij geen CL is aangetoond. Bij vier importdieren die serologisch op CL zijn onderzocht werd geen CL aangetoond.

Chlamydophila abortus 
Ook in het eerste halfjaar van 2009 is Chlamydophila abortus bij schaap en geit een aantal keren aangetoond als veroorzaker van abortus.
De animo onder schapen- en geitenhouders lijkt niet groot om deel te nemen aan een bestrijding of certificering op vrijwillige basis hoewel deze zoönose niet alleen voor behoorlijke bedrijfsschade kan zorgen maar ook imagoschade op kan leveren. Lang niet alle betrokkenen zijn zich bewustzijn van de risico’s die besmetting met deze ziektekiem oplevert.

Enterotoxaemie
Enterotoxaemie (het bloed, weeldeziekte) wordt veroorzaakt door de toxinen van Clostridium perfringens. Op geitenbedrijven zag GD-Veekijker ook het afgelopen halfjaar, net als andere jaren, weer de meeste problemen na voerveranderingen of na het verstrekken van niet goed uitgebalanseerde rantsoenen. De verschijnselen deden zich vooral voor bij volwassen geiten.
Op schapenbedrijven wordt de diagnose ook regelmatig gesteld, niet alleen bij opgroeiende lammeren, maar ook incidenteel bij volwassen ooien. Het betreft in het algemeen niet of niet goed gevaccineerde dieren. Ook bij sectie bleek enterotoxaemie het afgelopen halfjaar weer een belangrijke doodsoorzaak.

Leverbot
De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ heeft in november de definitieve prognose voor 2008 uitgebracht. Daarin wordt aangegeven dat in dezelfde gebieden als vorig jaar een leverbotbesmetting mag worden verwacht die echter naar alle waarschijnlijkheid minder ernstig zal verlopen als het jaar daarvoor. Uit het pathologisch onderzoek zijn afgelopen winter en voorjaar ook duidelijk minder secties met leverbot (zie Figuur 4.1) gevonden dan vorig jaar.
 
De leverbotinfectie wordt veroorzaakt door de parasiet Fasciola hepatica en deze kan zich alleen handhaven in gebieden waar ook de tussengastheer, de leverbotslak, voorkomt. Het overleven van de leverbotslak wordt bepaald door de temperatuur en de neerslag. De ontwikkeling van leverbotei tot staartlarve in de slak duurt 9 tot 12 weken. De staartlarve verlaat de slak en zet zich als besmettelijke cyste af op het gras.
De leverbotprognose stelt veehouders in staat om infecties te voorkomen en zo nodig gericht te behandelen. Op die manier wordt een bijdrage geleverd aan het beperken van de schade, het strategisch toepassen van medicijnen en daarmee aan de voedselveiligheid.


Figuur 4.1: Overzicht van het aantal schapensecties bij GD waarbij leverbot is geconstateerd.

Tot voor kort werd resistentie van de leverbot voor leverbotmiddelen alleen aangetoond in het gebied ten noorden van Amsterdam. Nadat in 2007 op meerdere bedrijven in Zuid-Holland resistentie van de leverbot voor triclabendazole werd aangetoond, is in 2008 het aantal bedrijven met leverbotresistentie zowel ten noorden van Amsterdam als rondom Rotterdam uitgebreid. Deze uitbreiding van resistentie maakt het noodzakelijk om nog meer aandacht te besteden aan het nemen van preventieve maatregelen.

Foto 1. Bleke lever waarvan de opengesneden galblaas veel volwassen leverbotten bevat. Bron: Van den Brom

Figuur 4.2 toont de bedrijven waar sinds 2000 leverbot is aangetoond. Hieruit blijkt dat deze parasiet bijna in heel Nederland in meer of mindere mate kan voorkomen. Steeds vaker wordt leverbot aangetoond op bedrijven waar in het verre verleden geen problemen met leverbot voorkwamen. Op deze bedrijven blijkt vaak de verhoging van de grondwaterstand de biotoop aantrekkelijker te hebben gemaakt voor de tussengastheer, de leverbotslak. Recent is een tankmelktest ontwikkeld waarmee leverbot eenvoudig en op een goedkope manier kan worden aangetoond. Door inzet van deze tankmelktest, bloed- of mestonderzoek kan worden aangetoond waar in Nederland leverbot voorkomt.

De ‘Werkgroep Leverbotprognose’ voorspelt de kans op een leverbotinfectie en adviseert om met preventieve maatregelen een leverbotbesmetting te voorkomen. Een van die preventieve maatregelen is het uitvoeren van een kartering van percelen op besmette bedrijven, zodat de gevaarlijke percelen in de vochtige perioden kunnen worden gemeden. De werkgroep draagt hierdoor bij aan beperking van het gebruik van diergeneesmiddelen. Veehouders kunnen op basis van deze prognose en na aanvullend onderzoek bewust kiezen voor het gebruik van leverbotmiddelen bij niet-melkgevende dieren, enkele weken na opstallen, en bij het droogzetten van melkkoeien. Door dit ‘strategisch behandelen’ verlagen veehouders het risico op residuen in voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.


Figuur 4.2. Verspreiding van leverbot in Nederland op basis van onderzoek over de periode 2000-2009.

In april 2009 eerste sterfgevallen door de rode lebmaagworm
Eind april 2009 werd bij volwassen schapen sterfte vastgesteld als gevolg van een besmetting met Haemonchus contortus, de rode lebmaagworm. Ook vorig jaar werd dit fenomeen waargenomen. Haemonchus contortus overwintert als geïnhibeerde larve in de lebmaagmucosa. Normaal gesproken zorgt deze parasiet vooral in de maanden juli en augustus voor veel problemen vooral bij lammeren. In tegenstelling tot bij de meeste worminfecties treedt bij haemonchose geen diarree op. De rode lebmaag worm zuigt bloed in de lebmaag waardoor bloedarmoede wordt veroorzaakt (Foto 1).


Foto 2: Schaap met vochtophoping tussen de kaaktakken (oedeem) ten gevolge van haemonchose. Bron: Van den Brom.
  
Naast de ernstige bloedarmoede met soms papierwitte slijmvliezen vindt er vaak oedeemvorming tussen de kaaktakken plaats, met als gevolg een dikke kop. Normaal gesproken wordt sterfte door haemonchose vooral waargenomen in juli en augustus maar het kan plaatsvinden over een langere periode.
In 2009 lijkt haemonchose bij lammeren later op te treden dan in 2008. Tot 1 juli 2009 waren er 2 gevallen geconstateerd. Resistentie voor anthelmintica lijkt een belangrijke rol te spelen bij de uitbreiding van de haemonchose in Nederland.

Myiasis
Via  www.capraovis.nl zijn in het eerste halfjaar van 2009 vooral meldingen gemaakt van myiasis in de periode 20 april tot 15 mei 2009 (zie Figuur 4.3).


Figuur 4.3. Meldingen van myiasis in 2009.

Myiasis is een vervelende huidaandoening die jaarlijks bij 2-5% van de schapen en lammeren in ons land voorkomt. Recent onderzoek laat zien dat de preventie van myiasis op veel punten tekort schiet. Via de website www.capraovis.nl worden achtergronden van deze aandoening en de preventieve mogelijkheden belicht.

Paratuberculose bij schapen en geiten
Het Spaanse paratbc vaccin Gudair®  is sinds april 2005 beschikbaar voor gebruik bij geiten.
Hoewel de diagnose paratbc regelmatig wordt gesteld zijn er sinds de vorige rapportage geen opvallende nieuwe zaken met betrekking tot paratbc te melden. Alleen is er af en toe sprake van leveringsproblemen van het vaccin als gevolg van beperkte beschikbaarheid op de Europese markt.
Hoewel in de rundveehouderij in toenemende mate belangstelling bestaat voor het aanpakken van deze aandoening, zijn vanuit de melkgeitenhouderij geen duidelijke signalen ontvangen dat het wenselijk zou zijn om deze ontwikkelingen te volgen hoewel voor beide diersoorten de argumenten om dat wel te doen dezelfde zijn.
Nog steeds bestaat er onvoldoende inzicht in de relatie tussen schapen en rundvee met betrekking tot paratbc. Ook is als gevolg van het ontbreken van financiering het voorgestelde onderzoek naar de effectiviteit van Gudair®  bij geiten ook in de tweede helft van 2008 niet gestart. Wel krijgen we nog steeds veel vragen vanuit de praktijk over het vaccin en hoe het toegepast zou moeten worden. Communicatie hierover blijft noodzakelijk


Q-fever
Q-fever of Q-koorts is een zoönose veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. Deze ziekte is in 1933 voor het eerst vastgesteld bij slachthuismedewerkers in Queensland in Australië. De diagnose werd in Nederland tot 2007 bij mensen vijf tot twintig keer per jaar gesteld. In de jaren daarna heeft een toename in het aantal geregistreerde Q-fever gevallen bij mensen plaatsgevonden tot 1.000 gevallen in 2008. In 2009 zal dit aantal nog aanmerkelijk hoger uitkomen.
Runderen, schapen en geiten zijn een belangrijk reservoir van Coxiella burnetii maar ook andere zoogdieren en vogels kunnen besmet raken. De aandoening verloopt bij dieren meestal symptoomloos, maar kan bij schapen en geiten abortus veroorzaken. Uitscheiding van de kiem vindt onder ander plaats met de nageboorte, het vruchtwater en via de melk. 
Coxiella burnetii kan goed overleven buiten het dier. De kiem blijft na indrogen besmettelijk en kan zo bijvoorbeeld via inademen infecties veroorzaken. Ook teken kunnen een rol spelen bij de overdracht van Q-fever maar het belang van deze infectieroute lijkt in Nederland niet groot. GD heeft in 2005 voor het eerst Coxiella burnetii gevonden als oorzaak van abortus bij geiten. Voor zover bekend was dit de eerste keer dat deze diagnose bij geiten in ons land werd gesteld. In 2005 werd een tweede geval gevonden en in de jaren daarna ging het achtereenvolgens om zes melkgeitenbedrijven en 1 melkschapenbedrijf in 2006, zeven melkgeitenbedrijven in 2007 en één melkschapenbedrijf en zeven melkgeitenbedrijven op acht UBN’s in 2008. In het eerste halfjaar van 2009 werd de diagnose op vier melkgeitenbedrijven gesteld.
Q-fever was in het verleden vooral een beroepsziekte voor onder andere veehouders, dierenartsen, schaapscheerders, slachthuis- en laboratoriumpersoneel. De ziekte kan ook optreden bij mensen die sporadisch contact met geïnfecteerde dieren hebben. Mensen raken meestal besmet door het inademen van besmet stof. Besmetting direct van mens op mens lijkt niet vaak voor te komen.
Net als bij dieren, verloopt een besmetting ook bij de mens vaak symptoomloos. Echter, in sommige gevallen kan de ziekte zich manifesteren als een ernstige griep met hoge koorts, hoofd- en spierpijn en misselijkheid. In zeldzame gevallen wordt de ziekte chronisch en kan dan gepaard gaan met onder andere long-, lever- en hartklepontstekingen.
Q-fever bij de mens is meldingsplichtig en als zich een geval bij de mens voordoet voert de VWA een brontracering uit. Bij dieren bestond geen meldingsplicht maar sinds 12 juni 2008 is Q-fever ook meldingsplichtig voor melkgeiten- en melkschapenbedrijven met een abortusprobleem. Op deze bedrijven gelden aanvullende beperkingen voor de opslag en het uitrijden van mest, ongediertebestrijding, algemene hygiëne en destructie van verworpen vruchten en nageboorten. Op besmette bedrijven mogen bezoekers niet in de stal worden toegelaten. In het najaar van 2008 hebben grote melkgeiten- en melkschapenbedrijven in een gebied met een straal van 45 km rond Uden de mogelijkheid gekregen hun dieren tegen Q-fever te laten vaccineren met het niet geregistreerde vaccin Coxevac®. Vanaf 3 november was het vaccin ook beschikbaar voor kleinere bedrijven. Er waren 80.000 doses vaccin beschikbaar en omdat elk dier twee keer moest worden gevaccineerd konden maximaal 40.000 dieren worden gevaccineerd.
In de loop van 2009 is de vaccinatiecampagne op grotere schaal voortgezet. De vaccinatie is verplicht voor melkschapen- en melkgeitenbedrijven, kinder- en zorgboerderijen en dierentuinen in een deel van Zuid-Nederland. Alle andere houders kunnen hun dieren vrijwillig laten vaccineren. Tot 1 juli 2009 zijn 296.594 dosis vaccin afgeleverd bij dierenartsenpraktijken.
Er is onderzoek gestart om meer inzicht in de achtergronden van deze aandoening te krijgen. De resultaten daarvan worden in de loop van 2009 gepubliceerd.

Zwoegerziekte/CAE   
Zwoegerziekte en CAE (caprine arthritis encefalitis) zijn zeer nauw verwante, persisterende virusinfecties bij respectievelijk schapen en geiten. Beide aandoeningen kenmerken zich door een langzaam voortschrijdend ziekteproces en sterfte. Sinds 1981 bestaat in ons land een georganiseerde bestrijding van deze aandoeningen op basis van serologisch onderzoek en bijna alle stamboekbedrijven zijn vrij van zwoegerziekte en CAE. Daarnaast is ook een beperkt aantal grote niet-stamboek schapenbedrijven en een klein deel van de melkgeitenbedrijven vrij van deze aandoeningen. Beide aandoeningen veroorzaken op besmette schapen- en geitenbedrijven zoveel economische schade dat het verbazingwekkend is dat niet meer schapen- en geitenhouders actie ondernemen om van deze aandoeningen af te komen. Wel is zichtbaar dat geitenhouders die op dit moment als nieuwe ondernemers toetreden tot de markt, bij de aanschaf van een nieuwe geitenstapel nadrukkelijk zoeken naar CL- en CAE-vrije geiten.