|
Scrapiebestrijdingsprogramma: Op 1 juli 1998 is in de Nederlandse schapenhouderij de scrapiebestrijding m.b.v. het scrapiebestrijdingsprogramma van start gegaan op basis van selectie op erfelijke ongevoeligheid voor deze ziekte. Het doel van de bestrijding was om binnen tien jaar zoveel ongevoelige fokrammen te hebben gefokt dat alle schapenhouders in ons land een resistente ram als dekram in zouden kunnen zetten. Door de toenemende zorg voor TSE’s hebben overheid en bedrijfsleven in 2002 besloten om dit scrapiebestrijdingsprogramma te versnellen. Het einddoel is toen vier jaar naar voren gehaald en in 2004 zijn alle schapenhouders met tien en meer ooien verplicht om een resistente dekram in te zetten. Een jaar later is deze verplichting ook ingegaan voor de kleine bedrijven. Uitzonderingen op deze verplichting bestaan er voor een klein aantal schapenfokkers die lid zijn van een fokkerijorganisatie met een ras met een lage ARR-frequentie. Voor deze rassen is een speciaal fokprogramma ontwikkeld dat selectie op scrapieongevoeligheid bevordert zonder dat sprake is van een te grote inteelttoename. Nadere informatie hierover kunt op u opvragen bij het PVV. In 2007 is de rammenverordening komen te vervallen en is het een vrijwillig GD programma geworden. Met de huidige kennis van zaken is fokken op scrapie-resistentie nog steeds de beste manier om van deze aandoening af te komen Indeling programma De bestrijding richt zich op het selecteren van fokdieren die ongevoelig zijn voor scrapie. Deze (on)gevoeligheid voor scrapie kan worden vastgesteld aan de hand van bloedonderzoek (genotypering). Het scrapiebestrijdingsprogramma is vanaf 1998 als project uitgevoerd door de GD. Vanaf 2007 voert de GD dit programma verder zelfstandig uit op basis van een GD scrapie-reglement. Omdat via het scrapiebestrijdingsprogramma deelnemende bedrijven een officiële status scrapie-resistent kunnen krijgen en de dieren van deze bedrijven onder bepaalde voorwaarden kunnen deelnemen aan het intracommunautaire handelsverkeer vindt over de invulling van een aantal voorwaarden voor deze resistente bedrijven afstemming plaats tussen de GD aan de ene kant en PVV en ministerie van LNV aan de andere kant. Sinds 1 maart 2006 heeft het ministerie van LNV nieuwe kwaliteitseisen gesteld aan de laboratoria die genotyperingsonderzoek uitvoeren. De GD laat dit onderzoek uitvoeren bij twee laboratoria en beide laboratoria kunnen aan de gestelde eisen voldoen. Dit geldt waarschijnlijk niet voor de andere laboratoria die nu zo nu en dan onderzoek uitvoeren. Vraagt u daar voor de zekerheid naar. Deelname scrapiebestijdingsprogramma Deelname aan het programma is mogelijk voor alle schapenhouders in ons land. De deelnemers hebben een aantal verplichtingen. Zij moeten hun dieren binnen zeven dagen na de geboorte van een officieel toegelaten oormerk voorzien en hun dieren centraal laten registreren in IDR, het computerprogramma van de GD voor de individuele dierregistratie. Nadat deelnemers hebben aangegeven dat zij dieren willen laten genotyperen, stuurt de GD barcodestickers (met individuele diernummers) naar de dierenarts van de schapenhouder en een brief naar de schapenhouder dat hij contact moet opnemen met zijn dierenarts om een afspraak te maken. Zodra de dierenarts van de schapenhouder de barcodestickers heeft ontvangen, kan hij bloed afnemen van de gewenste dieren en deze barcodestickers aanbrengen op de bloedbuizen. Bloedmonsters die zonder barcodestickers worden ingezonden worden niet onderzocht omdat de kans op fouten veel groter is dan bij bloedmonsters met barcodestickers. De monstersverwerking vindt namelijk voor het grootste deel geautomatiseerd plaats op basis van deze barcodestickers. Status scrapiebestrijdingprogramma Deelnemende schapenhouders mogen per keer zelf beslissen welke dieren zij willen laten onderzoeken. Zodra op een bedrijf alle dieren genotype ARR/ARR hebben, kan de schapenhouder de status scrapie-resistent aanvragen. Voor de GD die status toekent wordt het bedrijf door of namens de GD bezocht om te controleren of de situatie op papier overeenkomt met de werkelijkheid. Op basis hiervan kan de status scrapie- resistent worden toegekend. Diercertificaat scrapiebestrijdingsprogramma Naast de bedrijfscertificering is eind 2002 een start gemaakt met de diercertificering. Voor alle rammen en ooien met genotype ARR/ARR kan de deelnemende schapenhouder bij de GD een diercertificaat aanvragen of zelf uitdraaien via IDR-online. Scrapiebewakingsprogramma (voor geiten) Voor geiten is het (nog) niet mogelijk om te fokken op ongevoeligheid voor scrapie. Voor de geitenhouderij bestaat daarom een ander programma: het scrapiebewakingsprogramma. De status scrapie-onverdacht wordt verleend op basis van steekproefsgewijs hersenonderzoek. Bedrijven die aan dit programma deelnemen moeten: - voldoen aan de bepalingen van de I&R-regeling ;
- de dieren individueel identificeren en registreren volgens de aanwijzingen van GD;
- jaarlijks hersenonderzoek laten uitvoeren. Eén procent van de dieren (minimaal één dier) moet jaarlijks worden onderzocht. De voor onderzoek aangewezen dieren moeten twee jaar oud zijn en op het bedrijf zijn geboren of daar minimaal twee jaar hebben verbleven. Voor bedrijven met twintig dieren of minder is er een regeling om in plaats van onderzoek van één kop per jaar de koppen van alle uitstootdieren voor onderzoek aan te bieden, met een minimum van één kop per twee jaar.
Status scrapie-onverdacht (scrapiebewakingsprogramma) Geitenbedrijven die deelnemen aan het scrapiebewakingsprogramma krijgen de status scrapie-onverdacht als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: - het bedrijf heeft drie achtereenvolgende jaren deelgenomen aan het bewakings-programma en bij het hersenonderzoek is de diagnose scrapie niet gesteld;
- er zijn geen aanwijzingen voor het bestaan van scrapie.
|