Besmettingsrisico's

Besmetting vindt onder natuurlijke omstandigheden meestal plaats na opname via de bek. Het afweersysteem van het slijmvlies van de darmwand is zeer waarschijnlijk betrokken bij de opname van PrPSc door de darmwand. Bij gevoelige dieren vindt, in vergelijking met minder gevoelige dieren, de opname van PrPSc efficiënter plaats of vindt een betere ophoping plaats in de cellen van het afweersysteem van het darmslijmvlies.

Bij VRQ/VRQ-dieren vindt na opname van PrPSc eerst infectie plaats van de tonsillen en de Peyerse platen, weefsel met een afweerfunctie in de darmwand, en van daaruit vindt verdere verspreiding plaats, eerst naar de lymfklieren die de lymfe vanuit de tonsillen en de Peyerse platen afvoeren. Vermeerdering van PrPSc in het afweerapparaat gaat langzamer en is beperkter in verspreiding bij dieren met een minder gevoelig genotype. Bij dieren met ARR in het genotype komt deze manier van verspreiden niet of bijna niet voor. Dit klopt ook met de ervaringen uit het flankerend onderzoek dat in Nederland in het kader van het scrapiebestrijdingsprogramma is uitgevoerd. Heterozygoot ARR dieren waren tonsilbiopt negatief ook als ze bij microscopisch onderzoek van de hersenen wel besmet bleken te zijn.

De besmetting van het zenuwstelsel vindt later plaats dan besmetting van het afweerapparaat en mogelijk zelfs vanuit het afweerapparaat en begint in het zenuwweefsel in de darm en van daaruit vindt verdere verspreiding plaats. Via zenuwbanen in buik- en borstholte komt PrPSc in een later stadium voor in het ruggenmerg van borst- en lendewervels en in het verlengde merg van de hersenen. Van daaruit verspreidt PrPSc zich verder door het zenuwstelsel. Vermeerdering van PrPSc in zenuwweefsel gaat langzamer en is beperkter in verspreiding bij dieren met een minder gevoelig genotype. Op gelijke tijdstippen na infectie was er altijd minder PrPSc in de minder gevoelige dieren in vergelijking met VRQ/VRQ-dieren.
Verspreiding van PrPSc kan ook plaatsvinden via de bloedbaan. Bij experimentele bloedtransfusies vanuit schapen die besmet zijn met scrapie of met BSE lukt het om een besmetting over te brengen.

Een Noorse onderzoeksgroep bevestigd dat vermeerdering van PrPSc langzamer gaat en beperkter is in verspreiding bij dieren met een minder gevoelig genotype. In dit experiment deden de eerste klinische verschijnselen bij een VRQ/VRQ-dier zich voor op een leeftijd van zeven maanden. Het uitgebreide vervolgonderzoek toonde bij één dier PrPSc aan in het hoornvlies van het oog en bij twee dieren in de nageboorte. Bij de mens zijn gevallen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, ook een TSE, beschreven na hoornvliestransplantatie. Dat de nageboorte van scrapiebesmette schapen een rol speelt bij de overdracht van infectie in een koppel is niet nieuw.

Bovenstaande geldt voor klassieke scrapie. Van de in 1998 gevonden variant NOR98 en de daarna gevonden atypische scrapie is veel minder bekend. Er loopt op een aantal plaatsen onderzoek naar deze vormen van scrapie en de laatste informatie daarover geeft aan dat deze atypische scrapie onder experimentele omstandigheden wel overdraagbaar is maar onder natuurlijke omstandigheden niet besmettelijk is.