|
Brucella melitensis Nederland is officieel vrij van Brucella melitensis. De ziekte is in Nederland nog nooit vastgesteld. In andere Europese landen komt de bacterie nog wel geregeld voor, voornamelijk in landen rond de Middellandse Zee. Het blijkt in deze landen moeilijk om de bacterie uit te roeien. Omdat Nederland ook uit deze landen dieren importeert, is het risico aanwezig dat toch plotseling een besmetting optreedt. Om aan te tonen dat in Nederland geen Brucella melitensis voorkomt, vindt elk jaar onderzoek plaats van een groot aantal bloedmonsters van schapen en geiten. Brucella melitensis is een zoönose. De bacterie kan bij de mens Malta- of Middellandse Zee-koorts veroorzaken, genoemd naar het gebied waar de aandoening binnen Europa het meest voorkomt. De mens kan een infectie oplopen door direct contact met geïnfecteerde dieren, maar ook door het consumeren van geïnfecteerde melk of melkproducten. De wettelijke regelgeving voor de bewaking en bestrijding van Brucella melitensis ligt vast in Europese Richtlijnen.
Aantal bedrijven met schapen en/of geiten uit BRBS: Op 27-11-2007 waren er 29.003 bedrijven met (alleen) schapen in Nederland. Op 27-11-2007 waren er 10.483 bedrijven met (alleen) geiten in Nederland. Op 27-11-2007 waren er 12.484 bedrijven met zowel schapen als geiten in Nederland.
Beschrijving van de selectie: Op basis van het aantal bedrijven met schapen en/of geiten in Nederland bedroeg het minimaal aantal te onderzoeken bedrijven in de onderzoeksperiode 1-1-2008 tot 1-1-2009: 1.475. Daar het aantal inzendingen van deelnemers aan de programma’s zwoegerziekte, CAE en CL onvoldoende bleek om aan 1.475 bedrijven te komen zijn 318 bedrijven, uit niet-deelnemers aan deze programma’s, at random geselecteerd om deel te nemen aan het steekproef onderzoek (in totaal zijn derhalve 1.627 bedrijven aangeschreven).
Wijze van onderzoek: Het monitoringsonderzoek is uitgevoerd door middel van de ELISA-test en, bij niet-negatieve uitslag, de CBR-test. Niet negatieve uitslagen in de CBR-test (≥20) worden gemeld aan de VWA en de betreffende monsters worden ter confirmatie aan CVI-WUR verstuurd.
Stand van zaken van het onderzoek: Van 1473 bedrijven had het onderzoek een gunstig resultaat (dit is inclusief 101 beëindigde bedrijven en bedrijven zonder dieren). Er waren tot en met het vierde kwartaal 11 bedrijven waarvan het onderzoek niet-negatief verliep. Het totale aantal bedrijven tot en met het vierde kwartaal bedraagt dus 1484. Bedrijven waarvan het onderzoek niet-negatief verloop worden doorgegeven aan de VWA; de afhandeling van en de verantwoordelijkheid voor het onderzoek is vanaf dat moment in handen van VWA. Na deze melding komt, zoals afgesproken, geen informatie over afhandeling naar GD.
Scrapie Schapenhouders en dierenartsen zijn verplicht scrapieverdenkingen te melden bij de VWA. De afwikkeling van een verdenking vindt vervolgens plaats volgens het draaiboek scrapie. De GD is hier niet altijd direct bij betrokken, maar wordt in een later stadium wel vaak benaderd door de schapenhouder of zijn dierenarts om achtergrondinformatie en vaak om een plan van aanpak om zo snel mogelijk van scrapie af te komen. In goed overleg met VWA wordt meestal een voor alle betrokkenen acceptabele oplossing gevonden. De GD heeft wel rechtstreeks met een verdenking te maken als die voortkomt uit onderzoek van een dier dat bij de GD ter sectie is aangeboden. Confirmatie vindt in een dergelijk geval plaats bij CVI en bij een positieve bevinding wordt de VWA via CVI geïnformeerd. Bij een ernstige verdenking vindt in de regel vooraf telefonisch overleg plaats tussen de patholoog van de GD en de VWA. De GD heeft ook te maken met scrapiebesmette bedrijven als de schapenhouder na besmetverklaring de overstap wil maken naar volledig scrapie-resistent bedrijf. In deze gevallen meldt de betreffende schapenhouder zich aan als deelnemer aan het programma scrapiegenotypering. Vervolgens gelden voor dit bedrijf dezelfde rechten en plichten als voor alle andere deelnemers. Met de huidige kennis van zaken is fokken op scrapie-resistentie de beste manier om scrapie te bestrijden. In 2007 is de rammenverordening ingetrokken maar in 2008 heeft het PVV, in overleg met het ministerie van LNV, initiatieven genomen om het fokken op scrapie-resistentie opnieuw te stimuleren.
Bluetongue In augustus 2006 is in ons land voor het eerst bluetongue vastgesteld. Deze uitbraak in het zuiden van Nederland was de eerste in Noordwest-Europa. Latere bevestigingen kwamen uit België, Duitsland, Frankrijk en Luxemburg en in alle gevallen betrof het bluetongue virus serotype 8 (BTV-8). Aan het eind van 2007 was in Europa melding gemaakt van meer dan 50.000 besmette bedrijven en in Nederland waren 6.469 bedrijven besmet verklaard. Minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft op 7 mei 2008 de aftrap gegeven voor de vrijwillige vaccinatiecampagne tegen bluetongue. De doelstelling was dat aan het eind van 2008 tachtig procent van de bluetongue gevoelige dieren (schapen, geiten, runderen) beschermd zou zijn tegen de ziekte, hetzij door vaccinatie hetzij na doormaken van een natuurlijke infectie. Eind 2008 bleek 81,2% van de rundveehouders zijn dieren te hebben gevaccineerd. De vaccinatiegraad bij schapenhouders lag duidelijk lager. Van de schapenhouders met meer dan 24 schapen had 72,6% de dieren gevaccineerd maar bij kleinere schapenhouders lag dit percentage maar op 52,7%. Op 7 augustus 2008 is het eerste geval van bluetongue (BTV-8) geconstateerd bij een rund op een bedrijf in Staphorst (Overijssel). De dieren op dit bedrijf waren niet tegen bluetongue gevaccineerd. Aan het eind van 2008 was sprake van enkele tientallen met BTV-8 besmette bedrijven. De besmette schapenbedrijven waren niet gevaccineerd maar per bedrijf waren slechts één of enkele dieren ziek en er was geen sterfte. Bij geiten is in 2008 geen melding gemaakt van besmette bedrijven. Tot begin oktober waren in Nederland ruim 50 gevallen van bluetongue bevestigd. In bijna alle gevallen werd BTV-8 vastgesteld. Eind oktober werd op vier bedrijven in het oosten van het land BTV-6 aangetoond en dit aantal liep door nader onderzoek op tot ruim 20 gevallen. Door CVI geïnitieerd onderzoek bij het EU-referentielaboratorium in Pirbright toonde later aan dat het veroorzakende virus grote overeenkomsten vertoont met een virusstam die in Zuid-Afrika wordt toegepast in een modified live vaccin. Op het moment van deze rapportage is nog niet met zekerheid bekend of het inderdaad om een vaccinvirus gaat. Op 7 november 2008 is bekend gemaakt dat er twee runderen uit Frankrijk via België naar Nederland zijn vervoerd die besmet waren met BTV-1. Dit betekent dat na BTV-8 en BTV-6 een derde bluetongue serotype in Nederland is geconstateerd. Nader onderzoek heeft aangetoond dat BTV-1 in Nederland niet heeft verspreid.
Situatie in andere landen De OIE maakte melding van de volgende uitbraken van voor kleine herkauwers relevante ziekten in Europa of in de directe omgeving daarvan in de periode van juli tot en met december 2008: • bluetongue: een overzicht van de bluetongue situatie in Europa staat vermeld in onderstaand Figuur. In Nederland zijn in 2008 besmettingen met BTV-8, BTV-6 en BTV-1 vastgesteld. 
Figuur: Overzicht van de verschillende bluetongue-beschermingsgebieden in Europa (bron: http://ec.europa.eu/food/animal/diseases/controlmeasures/bluetongue_restrictedzones-070808.jpg)
• Brucella melitensis: in het tweede halfjaar van 2008 zijn in Kroatië meerdere meldingen gedaan van besmettingen met Brucella melitensis op zowel schapen als geitenbedrijven. • peste des petits ruminants: in Marokko is het afgelopen jaar op meerdere schapen- en geitenbedrijven een besmetting met deze virusziekte vastgesteld. Ook in het noorden van Marokko, in de nabijheid van de straat van Gibraltar, zijn besmettingen vastgesteld. De ziekte wordt bestreden door vanaf september 2008 alle schapen geiten (ca. 3,6 miljoen dieren) te vaccineren. |