Samenvatting

Het eerste halfjaar van 2010 stond, net als de drie voorafgaande jaren, weer in het teken van Q-fever. In 2008 werd Q-fever meldingsplichtig voor melkgeiten- en melkschapenbedrijven met een abortusprobleem, kwam abortusproblemen veroorzaakt door Coxiella burnetii voor op zeven melkgeitenbedrijven en één melkschapenbedrijf, startte een vrijwillige vaccinatiecampagne in een gebied met een straal van 45 km rond Uden en waren aan het eind van het jaar 1000 humane Q-fever gevallen vastgesteld. In februari 2009 hebben overheid en bedrijfsleven een hygiëneprotocol verplicht gesteld voor alle melkschapen- en melkgeitenbedrijven met meer dan 50 dieren. Daarnaast zijn bepaalde groepen schapen en geiten in Zuid-Nederland verplicht tegen Q-fever gevaccineerd en in de rest van Nederland op vrijwillige basis. Naast het bestaande meldcriterium op basis van abortus is op 1 oktober een verplichte tankmelkmonitoring gestart waarbij aanwezigheid van Coxiella burnetii met behulp van een PCR wordt aangetoond. Op 9 december 2009 namen de ministers van LNV en VWS het besluit om alle drachtige dieren op besmette bedrijven te ruimen. Op 21 december 2010 startte de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) met het ruimen van de eerste drachtige dieren. Vanaf half december 2009 gold een dekverbod voor melkgeiten- en melkschapenbedrijven. Eind 2009 bleek dat het aantal geregistreerde humane patiënten op 2.358 uitkwam en 19,7% van de patiënten werd opgenomen in een ziekenhuis.
In het eerste halfjaar van 2010 gingen de ruimingen door. In totaal zijn er ongeveer 50.000 drachtige dieren geruimd op 87 melkgeitenbedrijven en op twee melkschapenbedrijven. Nadat op de melkleverende bedrijven bij alle melkgevende dieren de verplichte vaccinatie tegen Q-fever was uitgevoerd hebben de ministers van LNV en VWS besloten tot afbouw van maatregelen: het aanvoer- en fokverbod voor vrije-bedrijven is opgeheven, de tankmelkmonitoring is tot het volgende aflamseizoen tijdelijk aangepast, bij nieuw geconstateerde besmettingen vinden geen ruimingen plaats en geldt geen levenslang fokverbod. Medio 2010 bleek het aantal humane patiënten met een eerste ziektedag in 2010 ongeveer 300. Het merendeel van deze patiënten is afkomstig van andere GGD’s dan die uit Noord-Brabant. Dit aantal is beduidend lager dan in dezelfde periode van 2009.

In het voorjaar van 2010 is de ziekte CL (caseous lymfadenitis) op meerdere schapenbedrijven in Nederland vastgesteld. Vanuit het Verenigd Koninkrijk geïmporteerde dieren zijn waarschijnlijk de bron van deze besmettingen. Er is een inventarisatie gestart van de mate van verspreiding en dit heeft voorlopig geleid tot de vaststelling dat op elf van de 26 onderzochte bedrijven CL is aangetoond. In overleg met het bedrijfsleven wordt een plan van aanpak opgesteld.
 
In 2009 is in Nederland geen bluetongue vastgesteld en ook de monitoring die eind 2009 werd uitgevoerd leverde geen besmettingen op. In 2010 kunnen dierhouders hun dieren wederom vrijwillig laten vaccineren tegen BTV-8. De bereidheid om te vaccineren lijkt niet erg groot.

Net als in de afgelopen paar jaar is ook in het voorjaar van 2010 weer vroeg sterfte ten gevolge van haemonchose aangetoond. Deze vroege sterfte, de wijdverspreide resistentie van deze parasiet voor de gangbare ontwormingsmiddelen en het feit dat klinische problemen sinds enkele jaren ook voorkomen in andere dan de gangbare maanden juli en augustus vormen een punt van zorg. Ook elders worden vergelijkbare ontwikkelingen gezien en wordt de vraag gesteld of naast toegenomen resistentie voor de belangrijkste anthelmintica verandering van klimaat mede een oorzaak voor dit probleem kan zijn.

In het voorjaar van 2010 werd meerdere keren sterfte van lammeren met diarree gemeld, terwijl het mestonderzoek negatief was verlopen. Bij dieren die vervolgens ter sectie werden aangeboden werd de diagnose nematodirose gesteld. Deze worminfectie komt vooral voor na een lange winter en is goed te behandelen met benzimidazolen. Het blijkt dat kennis omtrent deze worminfectie en de behandeling ervan bij veel houders onvoldoende is.

In de wintermaanden kwamen zowel via de Veekijker als via de sectiezaal relatief veel meldingen van listeriose bij schapen en geiten binnen. Listeriose wordt veroorzaakt door Listeria monocytogenes of Listeria ivanovii. In veel gevallen betrof het dieren die neurologische klachten ten gevolge van hersenvliesontsteking hadden.

Resistentie van de leverbot voor triclabendazole is in bepaalde gebieden in Nederland al langere tijd bekend. In het eerste halfjaar van 2010 is resistentie ook vastgesteld buiten dit bekende gebied: op drie bedrijven stierven schapen die zes weken daarvoor waren behandeld tegen leverbot. Om de resistentieverdenking te bevestigen zijn de koppels nogmaals behandeld en werd resistentie bevestigd.

Tijdens deze rapportageperiode zijn twee melkgeiten ter sectie aangeboden die enkele dagen daarvoor met een prostaglandine-preparaat waren behandeld voor schijndracht. De dieren bleken verbloed in de ligamenta lata, de ophangbanden van de baarmoeder. Schijndracht is een veel voorkomende aandoening in de melkgeitenhouderij die vaak op bovenstaande manier wordt behandeld.

Op een schapenbedrijf dat regelmatig schapen importeert vanuit het Verenigd Koninkrijk is een aantal dieren met klauwproblemen geëuthanaseerd. De problemen begonnen met ernstige kreupelheid en behandeling leidde niet tot verbetering. Uiteindelijk raakten de klauwen zo ernstig aangedaan dat euthanasie de enige optie was. De praktiserend dierenarts had gangbare klauwaandoeningen als rotkreupel, zoolzweer en tussenklauwontsteking uitgesloten. Op basis van de verstrekte informatie zou het in dit geval kunnen gaan om contagious ovine digital dermatitis (CODD), een aandoening waarvan de oorzaak nog niet helemaal duidelijk is en die ongeveer vier jaar geleden voor het eerst is beschreven in het Verenigd Koninkrijk en zich daar sindsdien behoorlijk heeft verspreid.